Uit het Sanskriet afkomstige term; betekent juk of methodische inspanning.
In de praktijk is de betekenis geworden: ‘spirituele methode’ of ‘verlossingsweg’. Meer specifiek is yoga de benaming geworden voor de weg naar verlossing die door Patanjali (eerste eeuw voor of na Chr.) in zijn sutra’s is geschetst, waarbij de nadruk valt op lichaamsoefeningen. Deze yogaweg bestaat uit acht treden: ethisch leven, religieus leven, lichaamshoudingen, ademhalingsoefeningen, afsluiten der zintuigen, concentratie, meditatie en contemplatie. In de laatste fase kan de gelovige de eenheid van zijn diepste wezen met de goddelijke oerbron ervaren en realiseren. De yogaweg, die men enkel kan begaan onder de leiding van een bekwame goeroe, wordt gekenmerkt door steeds verdergaande beheersing en onthouding, versterkt door lichaamshoudingen.
Een groot aantal van deze yogabewegingen is met name sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw ook in het Westen bekend en populair geworden. Hiernaast is de niet-religieuze ontspanningsyoga ontstaan, waarin men een aantal lichaamshoudingen uit de yoga heeft overgenomen om te komen tot lichamelijke rust.
Auteur
R. Kranenborg [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Vivian Worthington, Aspecten van Yoga. Geschiedenis van een eeuwenoude filosofie (Utrecht 1990)