Voorstelling dat alles een grens heeft en dat aan gene zijde van de grens een andere, hogere werkelijkheid bestaat die beslissend is voor wat aan deze zijde is.
Het is het tegenovergestelde van immanentie. Met transcendentie kan de dragende grond voor al het zijn worden aangeduid, of dat nu in filosofische zin het hoogste zijn wordt genoemd of in theologische zin samenvalt met God. Ook kan transcendentie in antropologische zin worden gebruikt: het is de mens eigen om voortdurend in denken en handelen de grenzen van het gegevene en voorhandene te overstijgen, en vanuit dit niet-gegevene op het gegevene te reflecteren.
Ondanks de oorspronkelijk kosmologische-ontologische achtergrond in de Griekse filosofie, kon transcendentie in de theologie opgenomen worden als een middel om het absolute verschil tussen schepper en schepsel te denken. Zodra de christelijke theologie echter de relatie van God en mens doordenkt vanuit de geschiedenis van het heil, blijkt het transcendentiebegrip hoogst problematisch. Dat God als Heer van de geschiedenis juist in tijd en geschiedenis ingaat, onder zijn volk ‘woont’ en ten slotte in zijn zoon mens wordt (menswording), staat op gespannen voet met de fundamentele ontologische tegenstellingen, die in het transcendentiebegrip meeklinken.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Blumenberg, ’Tranzendenz’, in: Religion in Geschichte und Gegenwart 3de druk 6, 989-997