Oude Japanse volksgodsdienst.
Het shintoïsme is afgeleid van het Japanse shinto (de weg der goden) en is in de zesde eeuw na Chr. als begrip ontstaan door de samenvoeging van de Chinese woorden shen (goddelijk wezen) en tao (de weg). Vanaf het einde van de negentiende eeuw tot 1945 was het als staatsreligie nauw verbonden met het Japanse imperialisme. Als natuurgodsdienst baseert het zich op de zuiverheid van de natuur. Het aantal kami (geesten en goden) is onbeperkt en van essentieel belang voor het doorgeven van de scheppende kracht in het universum. Zij bewaken de meest uiteenlopende natuurverschijnselen. Vooral de clanof stamgoden waken over de mensen die in een bepaalde streek wonen. De eredienst vindt over het algemeen voor de eigen huis-shinto-schrijn plaats, soms ook in tempelcomplexen, waar priesters een belangrijke rol spelen. Het shintoïsme kent ook vele overgangsrituelen.
Heilige boeken zijn: Kojiki (geschiedenis van de gebeurtenissen in de Oudheid), Nihonshoki (annalen) en Engisjiki (rituelen).
Auteur
E.G. Hoekstra [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jacques H. Kamstra, De Japanse religie. Een fenomenale godsdienst (Hilversum 1988)
Ian Reader, Shintoïsme (Haarlem 1998)