Verschijningen van de zielen van overledenen aan de levenden.
Dat de verschijning van geesten onder bepaalde omstandigheden mogelijk was, is door de rooms-katholieke traditie in beginsel altijd erkend. Het bleek niet alleen uit de verschijning van Mozes en Elia (Mat. 17) maar ook heiligen of de maagd Maria werden algemeen geacht zich soms aan de gelovigen te manifesteren. Dergelijke geestverschijningen waren theologisch acceptabel omdat ervan kon worden uitgegaan dat ze met toestemming van God plaatsvonden. De protestantse theologie was wat betreft geestverschijningen aanmerkelijk wantrouwiger. Dit kwam deels door haar afwijzing van de rooms-katholieke heiligen- en Mariacultus als ‘heidens bijgeloof ’, deels ook vanwege de verwerping van de leer van het vagevuur, waardoor dolende zielen die ‘nog geen rust hadden gevonden’ per definitie niet konden bestaan. Uitzonderingen op die regel ontstonden in de late achttiende- en vroege negentiende-eeuwse piëtistische milieus, met als typerend voorbeeld de veelgelezen Theorie der Geister-Kunde (1808) van Johann Heinrich Jung-Stilling. Hij geloofde in een protestantse versie van het vagevuur (aangeduid als Hades), gaf pastorale adviezen over hoe als christen om te gaan met geestverschijningen, en illustreerde dit met een enorm aantal ‘spookverhalen’.
Met de opkomst van het spiritisme vanaf 1848 werden geestverschijningen tot een veelbesproken fenomeen, zowel binnen als buiten de kerken. Halverwege tussen de christelijke/theologische kritiek op het spiritisme en de spiritistische kritiek op kerkelijke dogma’s, zagen velen in het spiritisme juist een grote kans voor het christendom. Het christendom kon immers nu het goddeloze atheïsme bestrijden door ‘onweerlegbare’ bewijzen te leveren voor het voortbestaan van de ziel na de dood.
In hedendaagse christelijke verdedigers van channeling komen we vaak dezelfde redenering tegen.
Auteur
Wouter J. Hanegraaff [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Johann Heinrich Jung-Stilling, Theorie der Geister-Kunde (Nürnberg 1808)
‘Het Spiritisme’ (Religieuze Bewegingen in Nederland 22, 1991)
Roelof van den Broek, Claire Fanger, Jean-Pierre Brach & Wouter J. Hanegraaff, ‘Intermediary Beings I-IV’, in: Wouter J. Hanegraaff (red.), Dictionary of Gnosis and Western Esotericism (Leiden 2005)