Hier is een stukje historische kennis nodig. De gereformeerde traditie was in Nederland vanaf ong. 1675 tot 1895 ook politiek invloedrijk. Kerk en staat waren nauw met elkaar verbonden. Naar de opvatting van de kerk (vastgelegd in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 36) had de overheid de taak om de ‘ware godsdienst’ zo veel mogelijk te bevorderen.
In de Franse tijd, eind 18e, begin 19e eeuw, werd de scheiding van kerk en staat doorgevoerd. Daarna, onder koning Willem I, werd gestreefd naar een herstel van de oude banden tussen kerk en staat. Maar de macht van de staat in de (hervormde) kerk leidde tot onenigheid. Rond 1850 werd alsnog de scheiding van kerk en staat grondwettelijk vastgelegd: geen bijzondere voorrechten van de kerk tegenover de staat, en omgekeerd.
Daarna gaan de opvattingen over kerk en staat binnen het protestantisme uiteenlopen, tussen twee uitersten.
Aan de rechterzijde, tot vandaag de dag toe herkenbaar in b.v. de SGP, wil men zo veel mogelijk vasthouden aan art. 36 NGB. De overheid wordt aangesproken op haar christelijke taak, al wordt meer bepleit dat één kerk direct bevoordeeld wordt. Maar de overheid dient wel christelijke opvattingen over de samenleving te laten doorwerken in haar beleid. Aan de andere kant vindt men degenen die de scheiding van kerk en staat volledig hebben aanvaard, en die daarom ook voluit accepteren dat de overheid zich in een plurale samenleving neutraal moet opstellen. De grote meerderheid van de protestanten neigt veel meer naar het laatstgenoemde standpunt. De scheiding van kerk en staat wordt dus breed ondersteund. Dat betekent echter niet, dat van samenwerking tussen kerk en staat geen sprake zou kunnen zijn. Het wordt in het algemeen als vanzelfsprekend ervaren dat christelijke organisaties (scholen) en zelfs directe kerkelijke instellingen (b.v. jeugdwerk) door de overheid kunnen worden ondersteund, mits daarbij dezelfde maatstaven worden aangelegd als voor alle andere soorten werk in de samenleving.
Naast deze gereformeerde hoofdstroom verdienen twee kleinere stromingen enige aandacht. In de doperse beweging, tot vandaag voortgezet in de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ADS), was vanouds de neiging sterk zich zo veel mogelijk af te keren van de politiek, b.v. door de militaire dienst te weigeren. Vandaag leeft dat niet meer in die mate. De Lutheranen hadden in de minderheidssituatie waarin ze hier leefden, groot belang bij een grote afstand tussen kerk en staat, al dachten hun geloofsgenoten in b.v. Duitsland daar heel anders over.
Auteur
Prof. dr. Leo Koffeman, deeltidhoogleraar Kerkrecht en oecumene aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Utrecht en beleidsmedewerker scribaat bij de Protestantse Kerk in Nederland