Politieke stroming, die tussen 1919 en 1945 met geweld een herwaardering van gangbare waarden als vrijheid, gelijkheid en broederschap beoogde.
In de nasleep van de Eerste Wereldoorlog ontstonden tal van partijen ter linker- en ter rechterzijde van het politieke spectrum uit onvrede over de bestaande democratie. Deze democratie, ten tijde van de Republiek van Weimar, zou de zware beperkingen, aan Duitsland opgelegd bij de Vrede van Versailles, te lijdzaam ondergaan. Een van die partijen was de Duitse Arbeiders Partij, opgericht door de onderhoudsmonteur bij de spoorwegen Anton Drexler. Aanvankelijk stelde de partij niets voor, maar dat veranderde nadat Adolf Hitler in september 1919 als lid nummer 555 werd ingeschreven.
Onder diens invloed werd de partij omgedoopt in Nationaal-socialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) en werd een twintig punten tellend program aangenomen, waarvan het antisemitisme het belangrijkste en meest duurzame programmapunt zou blijken. Na een mislukte coup in november 1923 kreeg Hitler vijf jaar gevangenisstraf, waarvan hij er slechts één uitzat. In de gevangenis Landsberg schreef Hitler Mein Kampf (1925), een mengelmoes van autobiografische en wereldbeschouwelijke bespiegelingen. De daarin geopenbaarde wereldbeschouwing is, anders dan wel wordt verondersteld, glashelder. Hitlers nationaal-socialisme streefde naar een samenleving op racistische grondslag.
Alle Duitsers (‘ariërs’) zouden in één ‘Grootduits’ rijk moeten worden verenigd. Dat rijk zou levensruimte moeten zoeken in het oosten (Rusland) waar ‘minderwaardige’ volkeren (slaven) onderworpen en gekoloniseerd dienden te worden. Duitsland en de wereld zouden gezuiverd moeten worden van joden, die verweten werd geen staat te kunnen vormen, maar zich als parasieten vast te bijten in de nationale volksgemeenschappen. Hét voorbeeld van zo’n staat was voor het nationaal-socialisme het communistische Rusland, waar de ‘joodse’ wereldbeschouwing van Karl Marx via joodse revolutionairen als Trotski, Kamenev en Zinoviev internationalisme preekte.
Het nationaal-socialisme zag het ‘joodse gevaar’ ook van een andere kant komen: van het kapitalisme, dat eveneens door joden zou worden beheerst. Nadat Hitler op 30 januari 1933 aan de macht was gekomen, bleek hoe letterlijk de term nationaal-socialisme moest worden genomen. Hoewel de stroming niet overging tot nationalisering van het bedrijfsleven, werd de hele samenleving op totalitaire wijze ‘gelijkgeschakeld’. Het nationaal-socialisme toonde treffende overeenkomsten met het stalinisme in Rusland, met dat verschil dat alle productiemiddelen daar in handen van de staat waren. Tussen 1933 en 1945 voerde Hitler zijn nationaal-socialistische programma met ijzeren consequentie door. De inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 toont het nationaal-socialisme in de praktijk: het was een poging communisten te vernietigen, joden uit te roeien en slavische volkeren te onderwerpen.
Het nationaal-socialisme is, zowel voor als na de oorlog, onderwerp geweest van tal van studies. Aan theologische zijde onderscheidde zich K.H. Miskotte, die in Edda en Thora (1939) wees op de heidense denkwereld van het nationaal-socialisme. Daarmee groef Miskotte diep en toonde hij zich een voorloper van Abel Herzberg, die in Kroniek der Jodenvervolging (1950) betoogde dat het nationaal-socialisme ten diepste in strijd was met de joodschristelijke beschaving. Het nationaalsocialisme mocht dan op veel steun mogen rekenen van de overwegend lutherse protestanten, het nationaalsocialistisch denken stond ver af van het virulente lutherse anti-judaïsme. Dat liet joden na bekering tot Jezus Christus nog een tweede kans. Het racistische antisemitisme van het nationaal-socialisme, dat terugging op het negentiende-eeuwse sociaaldarwinisme, bood joden die kans niet en streefde naar een totale vernietiging van het jodendom.
In zijn verschrikkelijke uitwerking is het nationaal-socialisme een negatieve mijlpaal in de geschiedenis van Europa, waarvan de erfenis nog altijd voelbaar is in het Europa van de eenentwintigste eeuw.
Auteur
Wim Berkelaar [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Karl Dietrich Bracher, Die Deutsche Diktatur. Entstehung, Struktur und Folgen des Nationalsozialismus (Berlijn 1969)
Ernst Nolte, ‘Der Nationalsozialismus’, in: Der Faschismus in seiner Epoche (München 1979 5de druk), 343-515