Liberale richting, met name op economisch en staatkundig gebied.
Liberalisme wordt in verschillende betekenissen gebruikt. In een religieuze of theologische context heeft het de betekenis van vrijzinnigheid en staat het tegenover orthodoxie. Als economische term staat liberalisme voor het ruim baan geven aan de werking van de markt, de mechanismen van vraag en aanbod, en een terughoudende overheid (laissez-faire, laissez aller). In die zin spreekt men bijvoorbeeld van liberalisering van de wereldhandel. Men beroept zich hierbij graag op het boek The Wealth of Nations (1776) van Adam Smith en op Friedrich Hayek (1899-1992).
De politiek-filosofische betekenis van liberalisme is de meest geprononceerde, vaak verbonden met economisch liberalisme. Het liberalisme als politieke filosofie stelt de vrijheid van het individu centraal. Die geldt allereerst in de relatie tot de staat. De macht van de staat moet beperkt worden (bij voorkeur alleen de kerntaken defensie en rechtshandhaving) zodat deze niet naar believen in de persoonlijke levenssfeer kan ingrijpen. Hiertoe kent het liberalisme verschillende waarborgen, waaronder de ‘scheiding der machten’ (die verbiedt dat wetgeving, rechtspraak en uitvoerend bestuur in één hand verenigd zijn).
Zo mogelijk nog belangrijker is het fenomeen van de in wetten of gewoonterecht verankerde rechten van individuen (bijvoorbeeld het recht op vrije meningsuiting). Hiermee verbonden is de scheiding van kerk en staat: geen dwang in geloofszaken. De staat dient zich neutraal op te stellen ten opzichte van alle levensbeschouwingen.
Belangrijke denkers zijn John Locke en John Stuart Mill (1806-1873). In 1812 dook voor het eerst de term ‘liberalen’ op, toen de progressieve leden van de Spaanse Cortes zich liberales gingen noemen. Sinds die tijd verspreidde de term zich snel over Europa. Men kan stellen dat in belangrijke mate alle moderne westerse democratieën op liberale principes zijn gebaseerd. In de Verenigde Staten betekent liberal overigens politiek ‘links’ en staat dan tegenover conservatisme, terwijl in Nederland de term met ‘rechts’ verbonden wordt.
Terwijl in de eerste helft van de twintigste eeuw het liberalisme op zijn retour leek, heeft het in de laatste decennia van de twintigste eeuw een comeback gemaakt. Baanbrekend was A Theory of Justice uit 1971 van de Amerikaanse politiek filosoof John Rawls (1921- 2002). Hierin gaf hij een nieuwe verdediging van de klassieke liberale prioriteit voor maximale individuele vrijheid (voorzover verenigbaar met de vrijheid van anderen) maar betoogde hij tevens dat in tweede instantie ook de vraag naar een zekere sociale gelijkheid gesteld dient te worden. Verzet tegen deze sociale wending werd aangetekend door Robert Nozick (1938-2002), met Anarchy, State and Utopia (1974).
Tegenover dit hernieuwde liberalisme kwam in het begin van de jaren tachtig met het werk van Alasdair MacIntyre en Amitai Etzioni het zogenaamde communitarisme op, dat de nadruk op het individu en diens rechten kritiseert en aandacht vraagt voor het belang van gemeenschappen waarin mensen gevormd worden en waarbinnen zij wederzijdse verantwoordelijkheid leren dragen. In Nederland kreeg dit met name in het Christen Democratisch Appèl (CDA) als christen-democratie voet aan de grond.
Vaak wordt de ontwikkeling van de democratie als product van het liberalisme gezien (‘liberale democratie’). Echter, de democratische praktijk is historisch aan meerdere bronnen ontsproten, waaronder met name het protestantisme. Het klassieke achttiende- en negentiende-eeuwse liberalisme ging vaak nog onbekommerd uit van de aanwezigheid van een christelijke moraal. Langdurige ervaring met een liberale samenlevingsordening in een puur-seculiere of niet-westerse cultuur is er nog niet. Daarmee is het de vraag in hoeverre een liberale orde duurzaam kan zijn wanneer de bredere cultureelreligieuze context ingrijpend wijzigt.
Sinds de laatste decennia van de twintigste eeuw wordt geleidelijk het (‘verticale’) recht op vrijheid tegenover de staat uitgebreid tot een (‘horizontaal’) individueel recht op vrije zelfontplooiing tegenover allerlei andere verbanden en tradities (zoals huwelijk en gezin), die dan voorgesteld worden als een vrij aangegaan contract.
Auteur
G.J. Buijs [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A.A.M. Kinneging, Liberalisme. Een speurtocht naar de filosofische grondslagen (Den Haag 1988)