De kracht van christelijk onderwijs is dat het als geen andere richting in het onderwijs juist en vooral ouders in bestuurlijke functies heeft. Het in de politiek veel gehoorde pleidooi voor meer ouders in het schoolbestuur kunnen we ons met een gerust hart laten aanleunen. We hebben geen probleem. In alle besturen waar ik kom zijn het in overgrote mate ouders die er verantwoordelijkheid dragen. Mooi is dat en echt iets om trots op te zijn. Oké, het is soms moeilijk om de goede deskundigheden bij elkaar te brengen, ik weet het. Maar toch, het illustreert het draagvlak voor bijzonder onderwijs. Maar zijn ouders als doelgroep daarmee beter af?
Verenigingen en stichtingen met ouders in het bestuur hebben vaak ook een grote mate van ouderbetrokkenheid in andere aangelegenheden van de school zoals de ouderraad en allerlei activiteitencommissies. Het een vergezelt het ander. Alleen voor medezeggenschapsraden wil het nog weleens lastig zijn om kandidaten te vinden.
Je zou veronderstellen dat met een grote mate van ouderparticipatie in het bestuur de belangen van ouders als vanzelf goed gediend zijn. Je zou mogen aannemen dat ouderbelangen met regelmaat als onderwerp van gesprek op de bestuursagenda prijken of terugkeren als toets van goed management door de schoolleiders. Toch merk ik dat dit zelden het geval is. Het aantal scholen dat periodiek oudertevredenheidsonderzoeken uitvoert, groeit gezond, dat zeker en dat is mooi. Maar de verwerking van de uitkomsten daarvan als belangrijke informatie voor een (breder) beleid ten aanzien van ouderbelangen kom ik slechts zelden tegen.
Soms denk ik weleens dat het misschien beter zou zijn als besturen juist niet overwegend door ouders bemenst zouden worden. Van ouders verwachten dat ze zich in het bestuur als bestuurder gedragen leidt kennelijk en misplaatst tot de consequentie dat zij daarover juist vooral moeten zwijgen. Het zijn van ouder ‘verbiedt’ hen om het over ouders en hun belangen te hebben. De deskundigheid waar ze bij uitstek over beschikken maakt plaats voor deskundigheid in de materies van de school zoals de bekostiging, de huisvesting, noem maar op. In plaats van als ‘ouders’ naar die materies te kijken leren ze zichzelf aan ernaar te kijken vanuit het perspectief van de school. Daarmee vervreemdt de ouder-bestuurder zich van zijn achterban waarbij informatieachterstand en ongelijke deskundigheid het breukvlak vormen. Een opmerkelijke paradox. De professionalisering van het bestuur zou in dit opzicht juist winst betekenen voor ouders en hun belangen.
De professionele bestuurder ontfermt zich over de materies van de school inclusief de behartiging van ouderbelangen. En de raad van toezicht zal de bestuurder tevens beoordelen op diens vermogen om rekening te houden met de belangen van ouders, naast al die andere zaken die de bestuurder moet regelen. Dan gebeurt het rekening houden met deze belangen dus expliciet als onderdeel van het beleid en als onderwerp van bestuurlijke communicatie. Raadselachtig dat ondanks de redelijkheid van deze redenering het voor besturen in het christelijk onderwijs toch vooral ouders zijn die de referentie vormen van hun handelen...
Harm Klifman, senior adviseur Besturenraad voor Christelijk Onderwijs
18 december 2008