Nederlands is er groot door geworden, door burgers die zich organiseerden in samenlevingsverbanden om via die verbanden mogelijk te maken waar ze individueel behoefte aan hadden.
Ons onderwijs, onze gezondheidszorg, onze sociale woningbouw, ons verenigingsleven zijn ondenkbaar zonder deze voorgeschiedenis. Ook de wettelijke bekostiging van ons onderwijs heeft dit uitgangspunt altijd erkend. Voorwaarden die aan de bekostiging werden gesteld, werden altijd getoetst op de vraag of ‘de eigen voorwaarden’* wel gerespecteerd werden. In de zestiger en zeventiger jaren van de twintigste eeuw raakten overheid en particulier initiatief erg met elkaar verweven. We spreken in dit verband van verstatelijking van het maatschappelijk middenveld. Heel veel wat aanvankelijk behoorde tot het domein van de burgers zelf, werd nu publieke zaak en een zaak van landelijke politiek. De gevolgen hiervan zijn overal zichtbaar: veel maatschappelijke verbanden lijden aan bloedarmoede en de burger verliest zichzelf in het ongrijpbare publieke domein of in de even ongrijpbare markt en heeft als enig alternatief de behartiging van het persoonlijk belang.
Buffertjes tussen burger en alomtegenwoordige markt en overheid, waarin de verbondenheid door gedeelde ‘eigen voorwaarden’ een gezond tegenwicht vormen, zijn er nauwelijks meer. Tijd voor tegenacties dus en voor het scheppen van tegenwichten. En die zie je ook wel oprijzen (hier en daar, maar te weinig naar mijn zin). Neem het debat over burgerschap en de opdracht dienaangaande aan de scholen. Die beoogt jongeren van jongsaf te attenderen op verantwoordelijkheden die henzelf als individu overstijgen.
Tegenacties zien we ook op het niveau van de organisaties zoals van verbanden van onderwijsaanbieders. De bundeling in sectorraden bijvoorbeeld, is bedoeld om een collectief en eenduidig tegenwicht te vormen tegen politiek en markt. En dan blijkt alle begin ook hier moeilijk. Leren omgaan met de grote diversiteit in de eigen achterban wordt topsport, zoals het ook voor die eigen achterban nodig is om te wennen aan nieuwe vormen van commitment.
En tegelijkertijd tekenen zich ook de valkuilen af. Sectorraden dragen als permanent risico in zich dat ze zich verliezen in de symboliek van een krachtige sector of dat ze een hogere waarde toekennen aan een betekenisvolle rol in het publieke domein of politiek dan aan de behartiging van ledenbelangen. Ook is er het risico van een overkill van interne disciplinering waardoor de individuele leden beperkt worden in hun eigen ‘op eigen voorwaarden’. In iedere vorm van binding zit de neiging tot gelijkvormigheid, tot hetzelfde doen, tot gelijkschakeling.
Nieuwkomers in de markt, met duidelijk gearticuleerde ‘eigen voorwaarden’ merken dat heel sterk. Zij hebben het niet gemakkelijk en moeten opboksen tegen de gevestigde orde. Dat is de orde van de subsidieverstrekker, externe toezichthouders en brancheorganisaties met een disciplinerende taak met gelijkschakelende effecten. Terwijl we in ons land, dat toch uitsluitend bestaat uit minderheden, juist behoefte hebben aan flexibiliteit en ruimte voor diversiteit. Die spanning tussen individualiteit en uniciteit enerzijds en conformisme en disciplinering anderzijds is een permanent gegeven. Ons daarvan bewust kan op zich al helpen om er mee om te gaan.
* Ik ontleen deze sprekende uitdrukking aan de inspirerende publicatie Democratie en de grote economie van Gert van Dijk en Leo Klep (2008).
Auteur
Harm Klifman, senior adviseur Besturenraad voor Christelijk Onderwijs