Muziekgenre dat ontstond in Rome aan het eind van de zestiende eeuw en zijn naam dankt aan de niet-kerkelijke ruimte waarin de religieuze muziek klonk (oratorio betekent gebedszaal).
Kenmerkend voor het genre was van meet af aan een stijl die met de opera de liefde voor dramatische expressie deelt. Wat haar daarvan onderscheidde, zijn bovenal de muzikale middelen. Het onderscheid tussen aria en recitatief (nogal strikt in de laatbarokke opera) is minder streng, met name in de Italiaanse oratoria uit de barok. Het koor en de verteller hebben een groter aandeel (vooral bij Händel), en het doorwrochte contrapunt speelt een cruciale rol, zeker in de Oostenrijkse oratoria geschreven na 1750, bijvoorbeeld bij Haydn. Hoogtepunten van het piëteitsvolle, negentiende-eeuwse oratorium (meer lyrisch dan theatraal) zijn de beide van Mendelssohn: Elias en Paulus.
In de twintigste eeuw groeide het oratorium uit tot een stijl die zich ook kon lenen voor niet-bijbelse onderwerpen, zoals de holocaust in de Judische Chronik (1960), van diverse Duitsers, onder wie Karl Amadeus Hartmann, en het Dies irae (1967) van de Pool Penderecki, dat als aanleiding het concentratiekamp Auschwitz heeft.
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]