Cultuur waarin beelden alomtegenwoordig zijn.
Onze cultuur is met beelden verzadigd. Foto’s domineren de voorpagina’s van onze kranten. Tijdschriften beconcurreren elkaar met fotoreportages, grafieken, tabellen en fraai getekende illustraties. En overal zijn beeldschermen. Ofschoon op veel computerschermen nog vooral elektronische teksten voorbijflitsen, vertonen zij in toenemende mate ook beelden, al dan niet non-stop. Daarmee is het beeld onontkoombaar geworden. Om de alomtegenwoordigheid van het beeld te benoemen, wordt onze cultuur wel gekarakteriseerd als ‘beeldcultuur’ ofwel ‘visuele cultuur’ (visual culture).
Het gebruik van het woord ‘beeldcultuur’ om onze tijd te kenmerken, is betrekkelijk nieuw. ‘Beeldcultuur’ werd eerder vooral gebruikt tegenover ‘woordcultuur’, en wel om bepaalde wetmatigheden van de beeldende kunsten onder één noemer te brengen, steeds in vergelijking met de literatuur. Daarnaast is het woord ‘beeldcultuur’ al geruime tijd in zwang om deelaspecten van bepaalde culturen te benoemen, zodat bijvoorbeeld over ‘de beeldcultuur van middeleeuwse stedelingen’ of ‘de beeldcultuur van de jezuïeten tijdens de barok’ gesproken kan worden. In laatstgenoemde zin kan ook over ‘christelijke beeldcultuur’ gesproken worden, en kunnen alle denkbare onderverdelingen worden gemaakt: in ‘protestantse beeldcultuur’, ‘katholieke beeldcultuur’ of de ‘beeldcultuur van de franciscanen’.
Belangrijk voor christenen is de principiële mogelijkheid om God (Christus) af te beelden. Dit lag in de eerste eeuwen van het christendom niet voor de hand. Het Oude Testament kent een beeldverbod (Ex. 20:4). De vroege christenen achtten dit verbod nog onverkort van kracht, ofschoon het in het Nieuwe Testament nergens expliciet bekrachtigd wordt. Zij zagen af van het maken van godsbeelden. De erkenning van de christelijke religie door de Romeinse overheid in 313 bracht een beslissende wending. Het christendom werd in hoog tempo een volksgodsdienst en beelden van Christus en christelijke voorstellingen in het algemeen werden populair. Al in de tweede helft van de vierde eeuw was het beeld een vast bestanddeel van de kerkelijke inrichting en de christelijke grafkunst. Deze feitelijke aanvaarding van godsbeelden werd later door het Tweede Concilie van Nicea (787), in reactie op het oosters iconoclasme, theoretisch onderbouwd. Het christendom onderscheidde zich met de aanvaarding van godsbeelden voortaan van het jodendom en vooral ook van de islam, waarin een volstrekt verbod op het afbeelden van God en zelfs van mensen en dieren geldt.
Iedere christelijke denominatie heeft zijn eigen beeldcultuur. In protestantse kringen wordt doorgaans meer nadruk gelegd op het woord, en minder op het beeld. Bij katholieken is dat welhaast omgekeerd. Katholieken staan zichzelf in de traditie van Nicea zelfs een beperkte beeldenverering toe, die voor de meeste protestanten taboe is.
Auteur
Joost van der Net [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Marshall McLuhan, Understanding Media. The Extensions of Man (1964; herdruk Cambridge/ Londen 1994)
Nicholas Mirzoeff, An Introduction to Visual Culture (London/New York 1999)
Hans van Driel (red.), Beeldcultuur (Amsterdam 2004)