Afronding van de christelijke eredienst, die eindigt met ‘wegzending en zegen’.
Eeuwenlang werd volstaan met alleen de (weg-)zending: ‘Gaat nu allen heen in vrede’. Daarmee wordt de overgang gemaakt naar het leven van alledag, als christen in de wereld. Het ite, missa est (‘gaat, dit is het eind’), waaraan het woord mis ontleend is, herinnert hieraan. Vanaf de twaalfde eeuw kent de westerse kerk de slotzegen, eenvoudig geformuleerd als ‘Zegene u de Almachtige God, Vader, Zoon en Heilige Geest’, waarbij de priester het kruisteken maakt of de handen oplegt.
Luther verving de trinitarische zegenspreuk door de Aäronitische zegen (Num. 6, 24-26) en Bucer en Calvijn zijn hem hierin gevolgd. Daarnaast wordt ook de trinitarische formule (2 Kor. 13:13) gebruikt. Alleen een geordineerde ambtsdrager is bevoegd namens God de zegen uit te spreken. Zegenen komt als ritueel ook buiten de eredienst voor. In dit verband kan, met name binnen de katholieke traditie, verwezen worden naar de ziekenzalving, het zegenen van mensen binnen een pastorale relatie en het zegenen van voorwerpen. Verschillende gebaren kunnen de zegen uitdrukken. Het opheffen der handen is een oud gebruik; het brede gebaar met de handpalmen omlaag gaat terug op de handoplegging.
Auteur
Gerben Heitink [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. van Leeuwen, ‘Wegzending en zegen’, in: P. Oskamp en N.Schuman (red.), De weg van de liturgie (Zoetermeer 1998)