‘Oude kerk’, de eerste fase in de geschiedenis van de katholieke kerk en het christendom.
Laatstgenoemde termen werden voor het eerst gebruikt door een van de apostolische vaders, Ignatius van Antiochië (begin tweede eeuw n. Chr.), om de algemene kerk en haar leden te onderscheiden van sektes. Over het algemeen laat men deze fase beginnen met de afsluiting van de canon (eind eerste eeuw n. Chr.) en eindigen in het midden van de achtste eeuw n. Chr. met de dood van de kerkvaders Johannes van Damascus voor het Griekse Oosten en Beda Venerabilis (een Engelse monnik) voor het Latijnse Westen. Vaak wordt onderscheiden tussen een beginperiode, gekenmerkt door achteruitstelling van de christenen en christenvervolgingen (96-325), de bloeitijd van de kerk (de tijd tussen de oecumenische concilies van Nicea in 325 en Chalcedon in 451) en een periode van achteruitgang van de kerk in de tijd tussen Chalcedon en de dood van genoemde kerkvaders.
Auteur [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Hans Lietzmann, Geschichte der Alten Kirche (Berlin/New York 1999)