Ook wel glossolalie geheten: het uiten van onbegrijpelijke klanken tijdens een toestand van religieuze extase.
Het verschijnsel komt in verschillende godsdiensten voor. In het Grieks betekent gloossa tong óf taal. En gloossais lalein is de nieuwtestamentische gave om ‘in [vreemde] talen te spreken’ (Mar. 16:17; Hand. 2:4; 10:45-46; 19:6; 1 Kor. 12:30; 13:1; 14: 26-28). Op de pinksterdag in Jeruzalem hoorden alle joden van buitenlandse herkomst Gods heilsdaden verkondigen in hun moedertaal. Taalbarrières werden doorbroken, ten teken dat het evangelie wereldwijd zou uitwaaieren. Toen het talenwonder zich herhaalde ten huize van de Romein Cornelius, concludeerde Petrus dat de Heilige Geest ook aan gelovigen uit de volken geschonken was.
In de samenkomsten van de multiculturele gemeente te Korinte moest Paulus een soortgelijk fenomeen – teken voor ongelovigen – reguleren om kakofonie te voorkomen: maximaal drie taalbegaafde sprekers, één tegelijk en nooit zonder vertolking. De lofprijzingen uit het boek Openbaring klinken als een talensymfonie.
Auteur
P.H.R. van Houwelingen [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A.A. Hoekema, Spreken in tongen (Kampen 1969)
Hans van Benthem en Klaas de Vries, ‘De Geest spreekt alle talen’, in: H. ten Brinke, J.W. Maris e.a., Meer dan genoeg. Het verlangen naar meer van de Geest (Barneveld 2004), 86-94