Kerk die door de staat als de officiële erkend wordt. Nederland heeft in de loop van zijn geschiedenis drie modellen gekend van de verhouding kerk en staat.
Ten tijde van de Republiek, toen de Gereformeerde Kerk een geprivilegieerde positie innam, benaderde ons land het staatskerksysteem. Volgens artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis (1561) was het de taak van de overheid ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij, en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen’. In 1796 werd de scheiding van kerk en staat een feit. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs bij de grondwetsherziening van 1917 markeerde het begin van het pluralistische stelsel, dat enerzijds wettelijke en financiële steun mogelijk maakt voor particulier initiatief, maar deze steun anderzijds uitstrekt tot alle groeperingen met een eigen godsdienstige of morele overtuiging.
Auteur
H.-M.Th.D. ten Napel [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
S.V. Monsma en J.C. Soper, The challenge of pluralism. Church and state in five democracies (Lanham/Oxford 1997)