Latijn voor: erbij gekomen. In relatie tot de bijbel (de Septuagint) en het joodse volk betreft het een persoon die van buitenaf ‘kwam schuilen onder de vleugelen van de God van Israël’.
Dit kwam sporadisch voor in de tijd van het Oude Testament, maar kreeg grotere vormen in de periode van de joodse diaspora na de Babylonische ballingschap (586-538 v. Chr.). Heidenen die naar de synagoge kwamen werden in geval van bekering door de rabbi’s nauwkeurig onderzocht op hun motieven, waarna men door besnijdenis én doop (en zo mogelijk een offer) tot het joodse geloof overging. Men kreeg als proseliet een nieuwe naam. In de bijbel worden proselieten genoemd in het Nieuwe Testament (Mat. 23:15; Hand. 2:10, 6:5 en 13: 43). De Statenbijbel noemt hen jodengenoten. In de Nieuwe bijbelvertaling wordt soms de term proseliet gehanteerd.
In het algemeen bedoeld men met proselitisme dat iemand overgaat naar een ander geloof, zonder dat er sprake is van een joods kenmerk. Proselitisme kan echter ook als zieltjeswinnerij worden opgevat, wat velen in strijd achten met de oecumenische gedachte.
Auteur
H. Veldman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.A. Hebly, Het proselitisme. Verkenning van een oecumenisch vraagstuk (Den Haag 1962)
H. Mulder, Proselieten tussen JA en NEEN. Missionaire en anti-missionaire activiteiten in het Jodendom (Kampen 1980)