In deze term zijn vier verwante, maar niet samenvallende betekenissen vervat, waardoor hij wel eens voor spraakverwarring zorgt.
In algemene, godsdienstfenomenologische zin betekent priesterschap: middelaarschap tussen God en mens. In deze betekenis wordt de term ook gebruikt voor de joodse priesters die de liturgische dienst verrichten, en voor de enige middelaar Jezus Christus (zie vooral de brief aan de Hebreeën). Aan dit unieke priesterschap van Jezus Christus hebben alle gedoopten deel, in het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen (1 Petr. 2:5,9). Dit priesterschap vanuit de doop raakte door de clericalisering van het ambt in de Middeleeuwen op de achtergrond. Luther beklemtoonde het opnieuw sterk, zelfs als het enige priesterschap in de kerkgemeenschap, hoewel hij daarnaast ook een ambt van leiding erkende. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie beklemtoont ook de Rooms-Katholieke Kerk dit priesterschap opnieuw als een van de fundamenten van haar kerkleer: de kerk vertoont een priesterlijke grondstructuur. In de sacramentele wijding tot priester en bisschop verkrijgt men het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap, dat ten dienste staat van het gemeenschappelijk priesterschap.
Ten slotte verwijst priesterschap in het dagelijkse taalgebruik meestal naar het ‘presbyteraat’. Dit is de tweede van de drie graden (trappen) die het sacrament van de ambtswijding in de Rooms-Katholieke Kerk kent: diaken, presbyter (priester), bisschop.
Auteur
Stijn van den Bossche [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
T. Schneider, Zeichen der Nähe Gottes. Grundriss der Sakramententheologie (Mainz 1998 7de druk)