De oecumene gaat veel te langzaam, betoogt Klaas van der Kamp. Maar wat is dat eigenlijk, oecumene?
De Christelijke Encyclopedie zegt daar het volgende over:
Bewustzijn dat er in principe slechts één kerk bestaat. Dit bewustzijn is gegeven met de belijdenis dat Jezus Christus de Heer is van die kerk.
‘Dat zij allen één zijn’ (Joh. 17:21) is een bede uit het hart van het Nieuwe Testament, waarin het verlangen van Christus zelf wordt uitgedrukt. Telkens weer hebben christenen in allerlei conflicten elkaar daarop gewezen en anderen en zichzelf daardoor met wisselend resultaat tot de orde geroepen. Oecumene is Nederlands voor het Griekse oikoumenè, afgeleid van het werkwoord oikein dat (be)wonen betekent. Het begrip werd vaak als aanduiding gebruikt voor de bewoonde, beschaafde wereld tegenover dat deel van de wereld waar ‘de barbaren’ wonen. In het Nieuwe Testament werd de term oecumene niet sterk theologisch geladen (behalve misschien in Hebreeën 2:5), maar het kerkelijke gebruik van de term kreeg vooral een christelijke inhoud toen in de vierde eeuw de ‘christelijke wereld’ steeds meer begon samen te vallen met het hellenistisch-Romeins cultuurgebied. De spankracht van de jonge kerk ging nauw samen met het bewustzijn van een sterke onderlinge verbondenheid, zonder dat op voorhand bepaalde etnische of sociale groepen werden uitgesloten of achtergesteld. In de gemeenschap die daaruit voortkwam, vond de christelijke kerk haar succesformule als bindend element in de samenleving.
Zeven grote kerkvergaderingen worden vanwege hun algemene karakter als oecumenische concilies aangeduid. In principe werden op last van de keizer alle kerken uitgenodigd. Vanwege hun in Oost en West aanvaarde status en het feit dat een oecumenisch concilie het hoogste orgaan van de kerk was, heeft het woord ‘oecumenisch’ de speciale connotatie gekregen van: dat wat wordt geaccepteerd als gezaghebbend en geldig voor de hele kerk. De Rooms-Katholieke Kerk zag na de eerste zeven nog veertien oecumenische concilies, zodat het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) feitelijk het eenentwintigste was.
Toen het Byzantijnse rijk ineenstortte, verviel de politieke inhoud van het woord ‘oecumene’ en bleef een louter kerkelijke betekenis in gebruik, bijvoorbeeld in de titel oecumenisch patriarch van Constantinopel, als technische term in de oosterse kerken. ‘Oecumenisch’ betekende steeds meer: norm en standaard voor de hele kerk. Ondertussen raakte het woord in het Westen in onbruik. Wel werden oude en nieuwe belijdenisgeschriften onder de benaming ‘oecumenische symbolen’ gevat, maar de uitleg daarvan (waar het bijvoorbeeld ging om de apostolische geloofsbelijdenis) of het werkelijk universele karakter (waar het ging om de nieuwe protestantse belijdenisgeschriften), werd steeds door andere kerken bestreden.
Sinds het midden van de negentiende eeuw werd het woord opnieuw door protestanten ontdekt en na verloop van tijd steeds meer gebruikt voor de geestelijke houding die getuigt van het bewustzijn van de eenheid van mensen in verschillende tradities als één volk van God. Naast een geografische en een kerkelijke betekenis ontwikkelt zich dus een betekenis in de zin van een programma. Een werkelijk inhoudelijke consensus over de betekenis van het begrip oecumene bestaat er niet. Het moderne gebruik van de term hangt nauw samen met de ontwikkeling van de oecumenische beweging zoals deze heeft vorm gekregen in de Wereldraad van Kerken (1948). Zolang de Rooms-Katholieke Kerk niet meedeed, was de pretentie dat het hier om oecumene ging, op zijn minst aanvechtbaar. Ondanks dit bezwaar vond de term oecumenisch in de aanloop naar de oprichting van de Wereldraad steeds meer ingang als het ging om het doel en de activiteiten, aan deze raad verbonden. Oecumene is in dit kader wel opgevat als een ‘positieve, maar tegelijk diep bezorgde en kritische reactie van christelijke gemeenschappen en individuele christenen op het project van de moderniteit’ (Hoedemaker, Houtepen en Witvliet, 1993).
Inderdaad is de geschiedenis van de oecumenische beweging in de twintigste eeuw nauw verweven met de gevolgen van industrialisatie en kapitalisme, de grote ideologieën en de beide wereldoorlogen. Kerken en gelovigen zetten zich schrap, bouwden schijnbaar tegen de tijdgeest in hun identiteit op en trachtten verantwoordelijkheid te dragen met het materiaal dat de christelijke traditie hun aanreikte.
Maar de grote vragen zijn gebleven. Gaat het in de oecumene nu, enigszins vereenvoudigd, om een soort programma, een gemeenschappelijke taakstelling, een missie van de gehele kerk (Wereldraad)? Of ten slotte toch om een vorm van hereniging (Rooms-Katholieke Kerk) of een vervulling van verwachtingen, impliciet gegeven met de apostolische traditie (orthodoxie)? Met name de vele protestantse denominaties kennen verschillende opvattingen van oecumene. Voor sommige kerken gaat het praktisch om externe betrekkingen met andere kerken, dichtbij en ver weg; voor andere gaat het vooral om activiteiten die gezamenlijk met andere kerkgenootschappen worden ontplooid. Hoewel men met de Wereldraad als zodanig nooit beoogde een ‘superkerk’ te ontwerpen, maar meer een christelijk wereldplatform van ontmoeting, vorming en actie, gingen er wel degelijk stemmen op om de opheffing van de eigen kerk na te streven.
Concreet is er in Nederland sinds 1961 een Samen op Weg-proces op gang gekomen, in 2004 uitmondend in de Protestantse Kerk in Nederland. Aanvankelijk enthousiasme maakte echter plaats voor een oecumenische vermoeidheid. Het was voor velen moeilijk het oorspronkelijke elan te behouden toen kerken of wijken samen moesten gaan vanwege het tekort aan financiële middelen en belangstelling in plaats van op grond van een oecumenisch verlangen. Bovendien voelden velen zich in dit fusieproces in hun eigenheid als gelovige bedreigd of spraken zij van een schijneenheid, omdat zij de pluriforme kerk afwezen. Daarnaast deed gebrek aan kennis van de eigen traditie bij kerkleden de belangstelling voor de dialoog met andere tradities in de laatste decennia van de twintigste eeuw sterk afnemen.
De spanning die herkenbaar is in de drie oecumenische stromen tussen de praktijk van het leven (Life and Work), de dogmatisch en formeel kerkordelijke benadering (Faith and Order) en het al dan niet naar buiten treden met een boodschap voor de wereld (International Missionary Council), is in de postmoderne oecumene levensgroot aanwezig. Terwijl veel gelovigen sterk relativeren, trekken kerken die het in tijden van secularisatie zwaar te verduren hebben, zich soms terug op eigen erf en koesteren het eigen gelijk. De terreinwinst die in de oecumene werd geboekt, bijvoorbeeld tussen rooms-katholieken en anglicanen, moest deels weer worden opgegeven; onder andere door onoverbrugbare verschillen in visie op homoseksualiteit, de plaats van de vrouw in de kerk en het ambt. Intercommunie, wat in Nederland tientallen jaren heel gewoon was in oecumenische diensten van rooms-katholieken en protestanten, werd aan het eind van de twintigste eeuw opnieuw verboden, door bisschoppen die daarmee gevolg gaven aan opdrachten vanuit Rome.
Auteur
J.A. Zeilstra [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W.A. Visser ‘t Hooft, Heel de kerk voor heel de wereld. Balans van de oecumene (Utrecht/Baarn 1968)
R. Rouse en S.Ch. Neill, A history of the ecumenical movement, I, 1517-1948, 3rd edition (London 1986)
H.E. Fey, A History of the ecumenical movement, II, 1948-1968, 2nd edition (London 1986)
B. Hoedemaker, A. Houtepen en Th. Witvliet, Oecumene als leerproces. Inleiding in de oecumenica (Utrecht/Leiden 1993)