Aanduiding voor een aantal liturgische vernieuwingsbewegingen die sinds het begin van de twintigste eeuw in verschillende kerken op gang zijn gekomen en een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de hervorming van de liturgische tradities binnen die kerken (zie liturgie).
De liturgische beweging binnen de Rooms-Katholieke Kerk streefde vooral naar een actievere deelname van alle gelovigen bij de liturgie die in de loop der eeuwen steeds meer het domein van de clerus was geworden. De aanhangers van de beweging hadden een grote belangstelling voor de bijbel en de meeste van hen vonden de inspiratie voor hun ideeën over de liturgie vooral in de vroege kerk, in het bijzonder in de geschriften van de kerkvaders. De eerste aanzetten tot de rooms-katholieke liturgische beweging zijn te vinden in de negentiende eeuw, met name in het werk van de monnik Prosper Guéranger (1805-1875), de eerste abt van het Benedictijnse klooster van Solesmes, dat een belangrijke speelde rol speelde in de bestudering en de revival van het gregoriaans.
Het eigenlijke begin van de beweging wordt echter meestal gesitueerd aan het begin van de twintigste eeuw. Het wordt vooral in verband gebracht met twee gebeurtenissen. Ten eerste de uitvaardiging in 1903 door paus Pius X van een motu proprio over de kerkmuziek, waarin werd gepleit voor een actieve deelname door de gelovigen. Ten tweede een pleidooi dat de Belgische Benedictijn Lambert Beaudouin in 1910 hield voor de verspreiding van integrale vertalingen van het missaal onder de gelovigen om hun betrokkenheid bij de Latijnse liturgie te vergroten. In de eerste helft van de twintigste eeuw werden de ideeën van de liturgische beweging liturgiehistorisch en theologisch onderbouwd. Leidende figuren waren onder anderen Odo Casel (1886-1948), monnik van het Benedictijnse klooster van Maria Laach, Pius Parsch (1884-1954), kanunnik van het klooster van Klosterneuburg bij Wenen, en de bekende theoloog Romano Guardini.
Na de Tweede Wereldoorlog vonden de opvattingen van de liturgische beweging in steeds bredere kring ingang en ze kreeg steeds meer erkenning van officieel kerkelijke zijde. Dat bleek uit de encycliek Mediator Dei (1947) en de herinvoering van de paaswake in 1951 – die feitelijk in de marge van de liturgie was terechtgekomen – alsook de hervorming van de liturgie van Witte Donderdag en Goede Vrijdag in 1956. De eigenlijke doorbraak kwam op het Tweede Vaticaans Concilie (1963-1965). In de Constitutie over de liturgie die tijdens dat concilie werd aangenomen en die de basis vormde voor de liturgievernieuwing van na het concilie, herkent men duidelijk de idealen van de liturgische beweging: actieve deelname van de gelovigen; grotere aandacht voor de Schrift en de vroege kerk; nadruk op de begrijpelijkheid van liturgische teksten en als gevolg daarvan invoering van de landstaal in de liturgie.
Deels onder invloed van de Liturgische Beweging in de Rooms-Katholieke Kerk en deels parallel daaraan kwamen ook in de andere kerken liturgische vernieuwingsbewegingen op gang. In dit verband moet de liturgische beweging binnen de anglicaanse kerk worden genoemd. Al naar gelang de aard van de verschillende kerken waartoe zij behoorden, legden de aanhangers van de liturgische beweging verschillende accenten. Zo lag er in de Nederlandse Hervormde Kerk vanouds een zware nadruk op de preek en was er weinig aandacht voor vormgeving en ritueel. Dit werd door aanhangers van de liturgische beweging die aan het begin van de twintigste eeuw binnen die kerk opkwam, als een gemis ervaren. Kenmerkend voor die beweging was daarom een uitdrukkelijke aandacht voor liturgische vormgeving, bijvoorbeeld voor de opbouw van de dienst van het woord en de dienst van de tafel, voor de structuur van het kerkelijk jaar en voor de kerkenbouw. Sleutelfiguren waren H. Gerretsen (1867-1923) en G. van der Leeuw (1890-1950).
De ideeën van deze beweging hebben op den duur ook doorgewerkt in andere protestantse kerken, met name de Gereformeerde Kerken in Nederland, en in talloze officiële en minder officiële liturgische boeken zoals het Liedboek voor de kerken (1973), diverse publicaties van de G. van der Leeuwstichting en het dienstboek van de Samen-op- Wegkerken, c.q. de Protestantse Kerk in Nederland (1998 en 2004).
Auteur
Gerard Rouwhorst [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Lescrauwaet, De liturgische beweging onder de Nederlandse hervormden in oecumenisch perspectief. Een fenomenologische en kritische studie (Bussum 1957)
H. Ellsworth Chandlee, ‘ The Liturgical Movement’, in: J. Davies (ed.), A New Dictionary of Liturgy and Worship (London 1986), 307-314
J. Fenwick en B. Spinks, Worship in Transition. The Twentieth Century Liturgical Movement (Edinburgh 1995)