Burgerrechtelijke aanduiding van een georganiseerde geloofsgemeenschap.
Er bestaat geen algemeen aanvaarde definitie van een kerkgenootschap. Wel keren in de pogingen daartoe steeds dezelfde vier elementen terug: een ledenbestand, een gemeenschappelijke geloofsovertuiging, een gemeenschappelijke geloofspraktijk en de wil zich als kerkgenootschap te manifesteren. De term kerkgenootschap stamt uit het eind van de achttiende eeuw, toen men een geloofsgemeenschap zag als een
vereniging van geloofsgenoten. Om die reden geeft men in kerkelijke kring de voorkeur aan de term kerkgemeenschap. Dit te meer omdat in de ene kerkgemeenschap de landelijke verschijningsvorm
kerkgenootschap is en in de andere de plaatselijke gemeente. Kerkgenootschappen zijn niet exclusief christelijk.
Naar artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bezitten kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid, wat betekent dat zij zelfstandig kunnen deelnemen aan het burgerrechtelijk rechtsverkeer, en bijvoorbeeld de mogelijkheid hebben om eigenaar te zijn van registergoederen, erfgenaam te zijn, contracten te sluiten en processen te voeren. Daarmee zijn zij voor het burgerlijk recht gelijk gesteld aan natuurlijke personen en aan andere rechtspersonen. De organisatie van een kerkgenootschap is echter niet geregeld bij wet noch onderworpen aan de bepalingen van het BW. Deze bijzondere positie vloeit voort uit de in artikel 6 van de Grondwet verankerde godsdienstvrijheid, de vrijheid de godsdienst in gemeenschap met anderen te belijden en de vrijheid zich naar eigen godsdienstige opvattingen als geloofsgemeenschap te organiseren. Deze vrijheid houdt ook in dat een kerkgenootschap niet wordt opgericht bij notariële akte, dat het statuut niet in de Nederlandse taal gesteld hoeft te zijn en dat geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel is voorgeschreven. Wel wordt verondersteld dat een kerkgenootschap een statuut heeft waarin in elk geval de besluitvorming en de vertegenwoordiging zodanig zijn geregeld dat het kan deelnemen aan het burgerrechtelijk rechtsverkeer. Ook staat de wet toe dat de in het BW opgenomen bepalingen voor privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals die betreffende fusie, splitsing en opheffing, naar analogie op een kerkgenootschap worden toegepast.
Auteur
L.C. van Drimmelen [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.), Kerk en recht (Utrecht 2004)