Ordening van tijd in de christelijke en joodse traditie: naast het dag- en weekritme het jaarritme van feestdagen.
De ‘feesttijden des Heren’ dienen om de eeuwige te ontmoeten. Men gedenkt de momenten waarop God naar zijn volk omzag: zijn heilzame bemoeienis vieren betekent deze in het heden beleven om hoop en moed te putten voor de toekomst. Gedenken brengt toen en nu en straks bijeen; zo maakt men deel uit van een traditie. De jaarcyclus, waarin het paasfeest centraal staat, rekent met zon én maan. De joodse paasdatum is de eerste volle maan van de lente. Men gedenkt de bevrijding uit de slavernij op de 14e (= volle maan) van de lentemaand. Het christelijke Pasen valt op zondag, omdat de Heer op de eerste dag van de week verrezen bleek. Sinds 325 is de zondag na de eerste volle maan van de lente de christelijke paasdatum.
Aanvankelijk vierden christenen het joodse Pascha; na middernacht vervolgde men met het gedenken van het lijden, sterven en opstaan van de Heer, doopte men de nieuwe geloofsleerlingen en vierde men tegen de morgen de eucharistie. Later werd dit gedenken uiteengelegd over meerdere dagen: zijn sterven op vrijdag, zijn maaltijd de avond ervoor, zijn verrijzenis op de eerste dag der week (met de doopnacht daaraan voorafgaand). Zo ontstond het huidige paasfeest: Witte Donderdag, Goede Vrijdag, paasnacht en paasmorgen. Voor de dopelingen gold een voorbereidingstijd van veertig dagen, zoals de Heer zich veertig dagen vastend voorbereidde op zijn taak. De schriftlezingen volgen Jezus’ gang: van verzoeking naar verheerlijking, van strijd naar spijziging, steeds van donker naar licht.
Na Pasen duurt de vreugdetijd vijftig dagen, afgesloten met Pinksteren (= vijftigste). De lezingen volgen de gesprekken van de opgestane met zijn leerlingen vóór zijn hemelvaart op de veertigste dag. Het joodse Wekenfeest is een ‘Tien-Woorden-feest’: het volk van Israël kwam vijftig dagen na zijn uittocht bij de Sinaï aan. Het christelijke pinksterverhaal (met wind en vuur, ‘Sinaï’ opnieuw) maakt de vijftigste dag tot een feest van de Geest. De zondag daarna, Trinitatis, bezingt de kerk de drie-eenheid.
De kerstkring is een echo van de paaskring. De verschijning van de ster aan de wijzen werd al heel vroeg het feest van de nieuwgeboren koning (6 januari, epifanie of Driekoningen), gevolgd door het feest van zijn doop en zijn eerste teken te Kana. Later kwam daar het kerstfeest bij. De datum daarvan hield onder andere verband met de kwartaaldagen. Daarvan was 25 maart (lenteviering) zowel een vroege paasdatum als de viering van de geboorteaankondiging van de Heer; het lag voor de hand drie kwartalen later (25 december) zijn geboorte te vieren. De achtste dag na Kerstmis werd Jezus’ naamdag, omdat hij toen besneden was. Na 526, toen iemand uitrekende wanneer Jezus geboren moest zijn en men dat jaar Anno Domini 1 noemde, werd deze naamdag nieuwjaarsdag; daarvóór was dat 1 maart.
Net als het paasfeest kreeg ook het kerstfeest een voorbereidingstijd, de advent. De kerstkring loopt van advent tot epifanie, met daarna ‘zondagen na epifanie’. De paaskring loopt van aswoensdag tot Pinksteren, met daarna ‘zondagen na Pinksteren’, ook wel genummerd als zondagen van de zomer en de herfst. De laatste zondagen van de herfst, ‘voleindingszondagen’, staan in het teken van de toekomstverwachting en vormen de overgang naar de adventstijd.
Auteur
G.M. Landman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G.M. Landman, In de ruimte van de Naam. Liturgische grondwoorden in het Onderricht van Mozes en hun invloed op het Nieuwe Testament en de christelijke eredienst (Zoetermeer 1995)
Dirk Monshouwer, ‘Markeringen van de tijd’ in: Paul Oskamp en Niek Schuman (red.), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk (Zoetermeer 1998)