Groepering mensen die op Christus betrokken zijn en die door hem geroepen zijn om hem in hun midden present te stellen en hem in de samenleving te representeren.
Als in het Nieuwe Testament na de uitstorting van de Heilige Geest de kerk ontstaat, zien we de plaatselijke gemeente van Jeruzalem die een hechte gemeenschap vormt. Lukas zegt van haar: ‘En ze bleven volharden bij het onderwijs van de apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden’ (Hand. 2:42). In het Nieuwe Testament wordt 112 keer het Griekse ekklesia gebruikt voor de gemeente, en wel voor de plaatselijke gemeente, voor een meervoud van plaatselijke gemeenten en voor de universele kerk. Paulus kent ook nog de huisgemeente. Door het hele Nieuwe Testament heen ligt de nadruk op de plaatselijke gemeente, die niet maar een deeltje van de eigenlijke ekklesia is, maar ten volle de gemeente van de Heer ter plekke (1 Kor. 1:2 en 2 Kor. 2:1).
Inhoudelijk wordt de gemeente in het Nieuwe Testament met allerlei ‘beelden’ aangeduid. Ze is een gemeente van heiligen en geheiligden, van gelovigen, van slaven en dienstknechten (van de Heer), volk van God, koninkrijk en tempel, huisgezin van God, de nieuwe exodus, ranken van de wijnstok en schapen van de kudde, lichaam van Christus en de nieuwe mensheid. Het boek Handelingen en de brieven van Paulus laten duidelijk zien dat het verhaal van de gang van het evangelie door de wereld en het beeld van de gemeenten afwisselend lichte en donkere kleuren vertoont.
Het geheim van de gemeente is de gave van de Geest, die haar vervult met zijn kracht. Die kracht wordt overal zichtbaar: in het getuigenis van de gemeente, in haar uitbreiding, in haar waarachtig geestelijk leven, in de wederzijdse liefde en het delen van de persoonlijke bezittingen; in de charismatische verschijnselen en in de wonderen en tekenen die het getuigenis vergezellen (Hebr.2:4). Toch is het geen ideaalbeeld. In de eerste brief van Paulus aan de gemeente te Korinte, is te lezen dat in die gemeente allerlei zonden voorkomen. Paulus praat die op geen enkele manier goed, maar zegt ook nergens: jullie zijn dus niet meer de gemeente van de Heer. Hij spreekt ze daar juist op aan: ‘jullie moeten worden wat jullie in Christus al zijn’.
In het Nieuwe Testament is te lezen dat in elke gemeente mensen aanwezig zijn die geroepen worden om leiding te geven. Deze taken worden in bijna alle kerken ambten genoemd. Overal waar een gemeente is, wordt deze door de leidinggevenden geroepen om op de zondag samen te komen rondom het Woord van God en het sacrament. In die samenkomst viert de gemeente de liturgie en prijst zij haar Heer.
De taken of diensten van de gemeente worden aan het begin van de eenentwintigste eeuw vaak samengevat in de woorden: vieren, leren, dienen en delen. Al deze taken vloeien voort uit de dubbele identiteit van de gemeente: haar eigen band met Christus die in haar midden present wil zijn, en haar opdracht om Christus in de wereld te representeren. Vanuit deze dubbele identiteit moet de gemeente alles beoordelen wat in haarzelf gebeurt en wat van buiten op haar afkomt.
De laatste jaren heeft zich binnen de praktische theologie een nieuw vak ontwikkeld dat zich speciaal met de opbouw van de gemeente bezighoudt. Veel gemeenten maken graag gebruik van de analyses en aanwijzingen uit de publicaties van gemeenteopbouw. In veel gemeenten zijn allerlei werkgroepen bezig (bijbelkringen, studiegroepen, meditatiekringen, maar ook kindernevendienstgroepen, vrouw en geloof-groepen, jeugdgroepen). Als ze goed functioneren, kunnen ze een grote bijdrage aan het gemeenteleven leveren, maar ze kunnen ook de pluraliteit binnen de gemeente versterken. Zie ook: gemeentetheologie.
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G.J. Dingemans, Een huis om in te wonen (Den Haag 1987)
De kerk verbouwen, Leidse Lezingen (Nijkerk 1989)
J. Hendriks, Gemeente als herberg. De kerk van 2000 - een concrete utopie (Kampen 1999)
S. Paas, ‘Een lage drempel en een hoog doel’, in: Soteria, XIX, 3 (2002) 2-14