Het Latijnse superstitio (superstitie) verwees oorspronkelijk naar de praktijken van waarzeggers en profeten, maar kreeg al snel ook andere connotaties, zoals ‘angstigheid’ of ‘behoedzaamheid’.
In de Romeinse tijd waren de termen superstitio en religio vaak onderling uitwisselbaar. Superstitio kon positief verwijzen naar zorgvuldigheid in de religieuze en rituele praktijk, maar ook negatief naar het overdrijven daarvan (uit angst om fouten te maken); deze associatie tussen bijgeloof en angst is tot op de huidige dag blijven bestaan. Vervolgens werd de term superstitio door de Romeinen gebruikt om de in hun ogen minderwaardige praktijken van andere volkeren aan te duiden, en christelijke auteurs adopteerden hetzelfde woord om te verwijzen naar wat door hén werd afgewezen: heidendom, afgoderij, demonenverering, enzovoorts. De term ‘bijgeloof ’ is tot op heden een polemische term gebleven: voor atheïsten geldt bijvoorbeeld alle religie als bijgeloof. Als neutrale aanduiding voor specifieke vormen van religie is de term dan ook onbruikbaar.
Auteur
Wouter J. Hanegraaff [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Dieter Harmening, Superstitio: Überlieferungs- und theoriegeschichtliche Untersuchungen zur kirchlichtheologischen Aberglaubensliteratur des Mittelalters (Berlijn 1979)