Verering van beelden bestond in de eerste eeuwen van het christendom niet: beelden waren er ter versiering of onderwijzing. Zij verduidelijkten het geloof en de verhalen uit de bijbel.
Vanaf de vierde eeuw groeide de beeldenverering. Rond 600 was in het Oosten de verering van beelden of iconen sterk toegenomen. Het kwam er tot iconoclasme. Het concilie van Nicea (787) keurde de beeldenverering officieel goed. Frankische theologen verwierpen de beeldenverering, maar als versiering of pedagogisch middel stonden zij afbeeldingen toe. Na de twaalfde eeuw werd de beeldenverering ook in het Westen algemeen. Er kwamen driedimensionale beelden van Christus, Maria en de heiligen. Het concilie van Trente bevestigde de beeldenverering. God en Christus mochten aanbeden worden en de heiligen vereerd (zie aanbidden, heiligenverering).
De protestanten wezen beeldenverering af. Dit kon leiden tot een beeldenstorm. Sommige protestantse kerkgenootschappen onderkennen echter het belang van ornamentele versiering.
Auteur
Antoine Jacobs [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]