Overplanten van weefsels en organen bij een ander of bij onszelf ter vervanging van een in het defecte lichaam uitgevallen functie.
Het orgaan is afkomstig van een donor. Er is van autotransplantatie sprake wanneer donor en ontvanger dezelfde persoon zijn. Bij allotransplantatie zijn donor en ontvanger verschillende personen. Ook xenotransplantatie is mogelijk, waarbij de mens een orgaan van een dier krijgt ingeplant. Transplantatie van hart, nier en lever zijn bekende voorbeelden. Door deze medische ontwikkeling zijn veel levens gered. Er is een tekort aan donoren om allen te helpen die voor transplantatie in aanmerking komen.
Transplantatie is moreel algemeen aanvaard, waarbij het afstaan van organen door een gezonde donor niet als verminking kan worden beschouwd; men laat in het eigen lichaam ingrijpen om daarmee een ander te redden. Wel zijn er grenzen aan orgaantransplantatie, bijvoorbeeld wanneer het organen betreft die mede onze unieke persoonlijkheid bepalen (geslachtsdelen, zoals eierstokken).
Auteur
J. Douma [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]