Richting in de ethiek, die de consequenties van een handeling als uitgangspunt neemt. Een handeling is goed als zij nut (het utiele) oplevert, of in elk geval meer nut dan schade.
Utilisme is als stroming het beste te begrijpen tegenover deontologie, een richting die uitgaat van normatieve principes en van een goede gezindheid, zonder eerst op de gevolgen te letten. Neem bijvoorbeeld het gebod ‘gij zult niet stelen’. De waarde van een dergelijk gebod is in de deontologie onvoorwaardelijk, terwijl het utilisme zich afvraagt of het volgen van dit gebod meer nut dan schade oplevert. Een bekende aanhanger van deze idee is Jeremy Bentham (1748-1832). Vooral Immanuël Kant keerde zich tegen elk utilistisch denken. Daarom wees hij ook de noodleugen af, die in zijn ogen altijd verkeerd is, ook al zou men door deze leugen het leven van de naaste kunnen redden.
Zowel de aspecten van het nut als van het gebod als van een goede gezindheid, verdienen een plaats in ethische overwegingen, zonder dat een van deze aspecten verabsoluteerd moet worden.
Auteur
J. Douma[uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]