Wijsgerige stroming die zijn naam ontleend aan het zesdelige hoofdwerk van de Franse filosoof en socioloog Auguste Comte (1798-1857), Cours de philosophie positive, verschenen tussen 1830 en 1842.
Comte wilde een ‘positieve’ filosofie ontwikkelen, een wetenschappelijke filosofie die gebaseerd is op ‘positieve’, dat wil zeggen empirische feiten. Die feiten zijn de verschijnselen van de menselijke ervaring. Voor de wetenschap is het slechts van belang hoe de dingen zich aan ons voordoen en hoe ze door ons ervaren worden. Hoe de dingen los van onze ervaring zijn, kan niet geweten worden. Op dit punt is er verwantschap met Kant, die zich eveneens keerde tegen de mogelijkheid van kennis over dat wat de ervaring te boven gaat.
Het positivisme van Comte is, net als het vroeg twintigste-eeuwse logisch positivisme, sciëntistisch van aard: het wil een wetenschappelijke verklaring van de verschijnselen geven, zonder een beroep te doen op iets dat achter de verschijnselen ligt. Concreet betekent dit dat de positivistische wetenschap zich richt op samenhangen en wetmatigheden.
Auteur
René van Woudenberg [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Kaat Wils, De omweg van de wetenschap. Het positivisme en de Belgische en Nederlandse intellectuele cultuur, 1845-1914 (Leuven 2000)