Overkoepelende benaming voor veelzijdige pogingen om in de twintigste eeuw het marxisme nieuw leven in te blazen.
Al in de jaren dertig werden daartoe aanzetten gegeven, in het bijzonder door de Italiaanse filosoof Antonio Gramsci. Na de Tweede Wereldoorlog grepen marxistische denkers in heel Europa terug naar het oorspronkelijke denken van Karl Marx, in een poging een alternatief te bedenken voor de verstarring en terreur van het marxistisch experiment in de Sovjetunie en Oost-Europa. In de jaren vijftig waren het vooral intellectuelen die onder het ‘reëel bestaande socialisme’ leefden, die het marxisme opnieuw doordachten. Een grote groep Poolse intellectuelen, waarvan de filosofen Adam Schaff en Leszek Kolakowski de belangrijkste vertegenwoordigers waren, legden in hun pleidooi voor een menselijke en democratische samenleving de nadruk op de vroege geschriften van Marx, waarin zij een mild en redelijk humanisme lazen. Eenzelfde pleidooi hielden in de jaren zeventig en tachtig Robert Havemann en Rudolf Bahro in de DDR (Oost-Duitsland).
Al deze intellectuelen bekritiseerden het leninistische staatsmodel, dat uitging van de communistische partij als voorhoede van de arbeidersklasse (zie ook: communisme). Aan de Oost-Europese pogingen het marxisme te vermenselijken werd in de jaren tachtig in alle gevallen een bruut einde gemaakt: de intellectuelen werden gevangengezet, van de universiteiten verwijderd of het land uitgewezen.
Terwijl de onderdrukking van neomarxistische intellectuelen in Oost-Europa in volle gang was, groeide sinds de jaren zestig de populariteit van het marxisme onder de studentenbeweging in West-Europa. In het West-Europese neomarxisme kunnen verscheidene varianten worden onderscheiden. Een heel eigen weg gingen vertegenwoordigers van de zogeheten Frankfurter Schule, die het ‘revolutionaire bewustzijn’ van de arbeidersklasse ter discussie stelden en die kritische vragen stelde naar nog onontgonnen terreinen zoals de rol van intellectuelen, de massamedia en de wereld van het amusement. In hun streven knoopten de Frankfurters aan bij de humanistische interpretatie van de Oost-Europese neomarxisten. Dat deden ook de Franse existentiefilosofen Maurice Merleau-Ponty en Jean-Paul Sartre, die het marxistische denken probeerden te verbinden met het individualisme van de eigen existentiefilosofie (existentialisme). Daartegenover stond de Franse filosoof Louis Althusser, die het marxisme opvatte als een nieuwe wetenschap en de humanistische tendens in Marx’ denken ontkende.
Terwijl Althusser in Nederland slechts aanhang genoot onder een kleine groep intellectuelen, sloeg de humanistische interpretatie van Marx breder aan, ook onder christenen. De katholieke filosoof B. Delfgaauw sympathiseerde met de ‘jonge’ Marx, terwijl theologen als A.J. Rasker en J. de Graaf vatbaar waren voor de messianistische toekomstverwachting die zij in het marxisme lazen. In de jaren zeventig ontstond de vereniging Christenen voor het socialisme. De linkse theologen Rinse Reeling Brouwer en Dick Boer studeerden op de samenhang tussen christendom en marxisme, terwijl A.Th. van Leeuwen en H.D. van Hoogstraten het kapitalisme aan een ‘kritiese’ analyse onderwierpen. Met de ineenstorting van het communisme in 1991 kwam ook een abrupt einde aan het neomarxisme.
Auteur
Wim Berkelaar [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.C. Boekraad, H. Hoeks (ed.), ‘Het marxistisch wetenschapsbegrip’, in: Te Elfder Ure 21, nr. 3 (Nijmegen 1974)
L. Kolakowski, Geschiedenis van het marxisme, dl. 3 (Utrecht/Antwerpen 1981)