Denkstroming in het spoor van het denken van Karl Marx en Friedrich Engels (1820-1895).
Het is met name Engels geweest die van de theoretische inzichten van Marx een leer, een wetenschappelijke wereldbeschouwing heeft willen maken. Mede door diens populariserende geschriften kon het marxisme uitgroeien tot een van de belangrijkste geestelijke stromingen tijdens de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw. Aanvankelijk werd binnen het marxisme onderscheid gemaakt tussen het historische en het dialectische materialisme. Het historische materialisme zou vooral betrekking hebben op de wetmatigheden achter de historische ontwikkeling van economie en maatschappij. Het dialectisch materialisme was de benaming voor de filosofische principes die in de materialistische analyse van de geschiedenis een rol spelen.
Met name het historisch materialisme dreigde in de ontwikkeling van het marxisme te ontaarden in een bijna natuurwetenschappelijke benadering van de historische en maatschappelijke werkelijkheid, als zouden de ontwikkelingswetten van de geschiedenis als natuurwetten kunnen worden opgevat. Deze benaderingswijze leidde tot intensieve discussies over de vraag of de geschiedenis door causale wetmatigheden verklaard kon worden of dat de wil van de mens daarin een rol speelt. In latere, meer kritische varianten van het marxisme werd in aansluiting aan het dialectisch materialisme afstand genomen van de bijna natuurwetenschappelijke, deterministische variant. Van een dergelijke, meer filosofische herinterpretatie van het marxisme is bijvoorbeeld sprake in het denken van de Frankfurter Schule.
Hoewel het marxisme in de loop van de twintigste eeuw een zeer belangrijke politieke stroming is geworden, valt toch ook de grote variëteit aan marxistische scholen en richtingen op. Binnen het Russische socialisme was bijvoorbeeld sprake van de tegenstelling tussen het bolsjevisme (de meerderheid) en het mensjevisme (de minderheid). Eerstgenoemde stroming werd gerepresenteerd door Vladimir Iljitsj Lenin (1870-1924) en vormde de voorloper van het latere communisme. Het mensjevisme (George Plechanov, 1856-1918) zocht later meer de aansluiting met de West-Europese sociaaldemocratie.
Binnen de West-Europese sociaal-democratie komt al snel de discussie op rond het revisionisme, waarin men van een dogmatische toepassing van het marxisme afstapt en de theorie probeert aan te passen aan de nieuwe omstandigheden van zich ontwikkelende democratische samenlevingen. Nog weer later – met name naar aanleiding van het succes van de Chinese communisten – ontwikkelden zich varianten van het marxisme die meer op agrarische samenlevingen georiënteerd waren en waarin het belang van de industrialisatie (de ontwikkeling van de productiekrachten) ten opzichte van het oorspronkelijke marxisme werd gerelativeerd.
In de leer van het marxisme staat het materiële bestaan van de mens centraal. De mens is een wezen dat bestaat bij de gratie van de stofwisseling met de natuur. Godsdienst, kunst en cultuur behoren in de ogen van het marxisme tot de bovenbouw die zich op de basis van het materiële bestaan verheft. In de kapitalistische maatschappij heeft de bovenbouw een ideologische functie: zij zijn erop gericht de onrechtvaardige maatschappelijke verhoudingen (de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid) aan het zicht te ontrekken of te rechtvaardigen. In dit kader is de uitspraak ‘religie is de opium van het volk’ beroemd geworden. Door een volmaakt gelukkig leven in het hiernamaals voor te spiegelen zou de religie de maatschappelijk onderdrukten er immers toe bewegen te berusten in het sociale onrecht en het lijden dat hen treft. Het marxisme is dus een bij uitstek atheïstische levensbeschouwing.
Auteur
Jan Hoogland [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Karl Marx, Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie – Einleitung, in: Karl Marx en Friedrich Engels, erke Bd. 1 (Berlin 1976)