Filosofische beweging die in de jaren twintig van de twintigste eeuw ontstond, gedurende ongeveer 25 jaar een bloei kende en nog steeds invloedrijk is.
Aan deze stroming zijn de namen verbonden van Moritz Schlick, Rudolf Carnap, Otto Neurath, Carl. G. Hempel, Hans Hahn, C.L. Stevenson en Alfred J. Ayer. De logisch positivisten onderschreven en discussieerden onder meer over de volgende drie filosofische doctrines. Doctrine 1: het verificatiecriterium van betekenis; de doctrine dat elke betekenisvolle uitspraak verifieerbaar is door ervaring en/of experiment. De logisch positivisten meenden dat dit criterium alle wetenschappelijke uitspraken als betekenisvol zou aanmerken en alle uitspraken op het gebied van de moraal, de religie en de metafysica als betekenisloos (‘onzinnig’). Dat bleek echter niet zo te zijn. Een probleem is dat het criterium zelf niet aan het criterium van de betekenisvolheid voldoet. Het criterium is zelf een bewering die niet door ervaring en/of experiment kan worden geverifieerd.
Doctrine 2: alle noodzakelijke waarheden zijn analytisch. Met deze stelling wilden de logisch positivisten afstand houden van het klassieke rationalisme, dat stelde dat een rationeel vermogen ons in staat stelt om inzicht te krijgen in bepaalde noodzakelijke structuren of kenmerken van de wereld. Wat het echter betekent voor een uitspraak om ‘analytisch’ te zijn, werd op vele verschillende manier uitgelegd.
Doctrine 3: alle betekenisvolle uitspraken kunnen herleid (‘gereduceerd’) worden tot ‘elementaire’ uitspraken, waarbij een uitspraak elementair is wanneer het een uitspraak is over een directe ervaring. Wetenschappelijke uitspraken, die wel als betekenisvol werden aangemerkt, zouden gereduceerd kunnen worden tot uitspraken over directe zintuiglijke ervaringen.
Andere vormen van reductionisme waarvoor de logisch positivisten pleitten waren: (a) de reductie van uitspraken over de mentale toestanden van anderen tot uitspraken over observeerbaar gedrag, wat meestal werd aangeduid als ‘logisch behaviourisme’; (b) de reductie van morele uitspraken tot uitspraken over wat men prettig vindt of zou willen aanmoedigen. De motivatie achter deze laatste vorm van reductionisme was de overtuiging dat morele uitspraken geen beweringen zijn, dat wil zeggen geen feiten onder woorden brengen, en dat alleen uitspraken over feiten waar of onwaar kunnen zijn. Deze benadering in de ethiek wordt doorgaans aangeduid als emotivisme.
Auteur
René van Woudenberg [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Alfred J. Ayer (ed.), Logical Postivism (New York 1959)
David McNaughton, Moral Vision (Oxford 1988)
Laurence BonJour, In Defence of Pure Reason (Cambridge 1998)