Geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel.
De term werd voor het eerst gebruikt door de Franse filosoof Antoine Louis Claude Destutt de Tracy in zijn Éléments d’idéologie (1801). Het is daarin een algemene aanduiding voor de wetenschap van de menselijke ideeën. Bij Marx krijgt het begrip een meer toegespitste betekenis en is het nauw verwant met het begrip vals bewustzijn. Zolang de arbeidersklasse de machtsverhoudingen binnen de kapitalistische maatschappij als natuurgegeven beschouwd, leeft zij in een onjuist bewustzijn omtrent de feitelijke machtsverhoudingen. Omdat de bezittende klasse belang heeft bij de bestaande machtsverhoudingen, stelt zij alles in het werk om de ideologie in stand te houden dat de kapitalistische samenleving een rechtvaardige is. Pas wanneer de arbeiders tot het ware bewustzijn over hun situatie komen, kunnen zij werkelijk tot een revolutionaire kracht in de samenleving uitgroeien.
Bij latere theoretici krijgt de term ideologie een meer neutrale of positieve lading. Zo bijvoorbeeld bij de Duitse socioloog Karl Mannheim (1893-1947), voor wie zij vrijwel synoniem is met de term ‘wereldbeschouwing’.
Auteur
Jan Hoogland [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]