Jezus uit Nazaret wordt de zoon van God genoemd.
De engel Gabriël had dit al voor zijn geboorte gezegd tegen de moeder van Jezus, Maria. Het werd bevestigd door een stem uit de hemel bij zijn doop in de Jordaan, met Johannes de Doper als getuige. Het stond centraal in de belijdenis van Petrus. Zelfs demonen moesten het erkennen, evenals de Romeinse centurio bij de kruisiging. Jezus Christus zinspeelde zelf op zijn goddelijke oorsprong en hemelse afkomst, maar zonder zich expliciet Gods zoon te noemen. Vaker duidde hij zichzelf aan als zoon van de mens. Wel zei hij door de Vader naar deze wereld gezonden te zijn, zich een van Geest te weten met zijn Vader en vooruit te gaan naar het Vaderhuis. Op de bezwerende vraag van de hogepriester of hij de Messias was, de zoon van God, antwoordde Jezus bevestigend. Met als gevolg zijn terdoodveroordeling wegens godslastering. Over de huidige positie van Gods zoon zegt het Nieuwe Testament dat hij gezeten is aan de rechterhand van de Vader.
Auteur
P.H.R. van Houwelingen [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
P.H.R. van Houwelingen, Jezus stelt zich voor (Kampen 1998)
J. van Bruggen, Het evangelie van Gods zoon. Persoon en leer van Jezus volgens de vier evangeliën (Kampen 2005 2de druk)