Overtreding van Gods gebod, daad waardoor de eerste mensen, Adam en Eva, uit een staat van onschuld tot schuld vervielen.
Het drama van de zondeval wordt geschetst in de bijbel (Gen. 3). Adam en Eva was in het paradijs verboden de vruchten te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Overgehaald door de slang (de duivel) eten zij daar toch van, omdat hij hen voorspiegelde dat zij dan als God zouden zijn. Daarmee verloren zij hun onschuld. De hele mensheid deelt in deze val, de erfzonde. Andere verklaringen worden hier de pas afgesneden. In God ligt niet de duistere oorsprong van het kwaad; integendeel, Hij haat de zonde. Evenmin is de zonde vrucht van een eeuwige tegenstelling tussen goed en kwaad, of een product van het handelen van een boze macht.
Dit alles doet ook tekort aan de bedoeling die God met de mens heeft: zijn verantwoordelijkheid te nemen als een liefhebbend schepsel, afspiegeling van Gods liefhebbend handelen, kortom: Gods beeld te zijn. Duidelijk is dat de zondeval niet te verklaren valt. Deze keuze van de mens blijft een raadsel. Verklaring daarvan opent de weg naar de verontschuldiging en tast daarmee de goddelijke vergeving als hart van het evangelie aan.
Auteur
H.C. Endedijk [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Berkhof, Christelijk geloof (Nijkerk 1990 6de druk)