Begrip uit de christelijke geloofsleer. De wedergeboorte wordt gezien als een geestelijke vernieuwing van de zondige mens door de Heilige Geest.
Door de wedergeboorte leert de mens het goede, dat is: de wil van God lief te hebben en te doen. Binnen het gereformeerd protestantisme wordt over de plaats en de betekenis van de wedergeboorte in het geloofsleven verschillend gedacht. Calvijn verstaat in zijn Institutie (1559) onder wedergeboorte de boetvaardigheid als vrucht van het geloof. In deze zin spreekt ook de Nederlandse geloofsbelijdenis (1561) over de wedergeboorte als heiliging of heiligmaking. De Dordtse leerregels (1618-1619) onderscheiden een wedergeboorte in ruimere en in engere zin. Onder het eerste verstaat men de heiliging. Onder het tweede het begin van de heilsorde, ook wel ‘levendmaking’ genoemd. Abraham Kuyper veronderstelde dat kleine kinderen al vóór de doop zijn wedergeboren (‘veronderstelde wedergeboorte’). In de Rooms-Katholieke Kerk wordt de wedergeboorte met het sacrament van de doop verbonden.
Auteur
W. Verboom [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Bavinck, Roeping en wedergeboorte (Kampen 1903)