Niet-sterfelijk zijn; algemeen religieus gegeven dat al in de oudste, schriftloze godsdiensten valt op te merken.
Ook in het heden blijkt de overtuiging van onsterfelijkheid allerminst samen te vallen met de kerkelijke grenzen (new age, parapsychologie, reïncarnatie), al is het in de geseculariseerde westerse cultuur sterk afgenomen. Het onsterfelijkheidsgeloof gaat doorgaans samen met de opvatting dat de ziel als zelfstandig gegeven (dualisme) na de dood voortbestaat en, eventueel na loutering, het eeuwige leven verkrijgt. Van grote invloed op de christelijke onsterfelijkheidsopvatting was Plato, die de ziel zag als het hogere beginsel in de mens. De ziel zou na de dood terugkeren naar zijn oorsprong, de wereld van het waarlijk goede en schone. Door de ontwikkeling van de wetenschappen (evolutie, hersenonderzoek), waarin het bewustzijn (ook het ‘ik’) meer en meer gezien wordt als een door materiële hersenwerking opgewekte voorstelling, zijn zowel de aanname van de ziel als het geloof in de onsterfelijkheid sterk onder druk komen te staan.
Auteur
H.W. de Knijff [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]