Vijftigste jaar als bekroning van een cyclus van zeven sabbatjaren.
Dit betekende twee jaar van rust achtereen, het 49e als sabbatjaar en het vijftigste als jubeljaar. Leviticus 25 schrijft voor, dat naast rust voor het land, ook teruggave van grond aan de oorspronkelijke bezitters plaats moest vinden. Ook moesten alle Israëlieten die slaaf waren, vrijgelaten worden. Deze maatregelen dienden de gelijkheid binnen het joodse volk te herstellen. Er zijn geen aanwijzingen dat het jubeljaar na de periode van de Eerste Tempel (tot 568 v. Chr.) nog gepraktiseerd werd. Sinds 1300 kent de westerse kerk het jubeljaar als een jaar van inkeer en vergeving. Daaraan was de verstrekking van aflaten verbonden. In 1470 werd vastgesteld dat het jubeljaar om de 25 jaar wordt gevierd (heilig jaar). Dat gaat sinds de zestiende eeuw gepaard met de opening van de Heilige Deur.
Het oudtestamentische jubeljaar inspireert mensenrechtenorganisaties tot het pleiten voor schuldensanering van derdewereldlanden.
Auteur
Bart Wallet [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Berend Maarsingh, Maatschappijcritiek in het Oude Testament. Het jubeljaar (Kampen 1977)