Oud-Germaans woord, in onze taal overgenomen en binnen het christendom gevuld door een veelheid van begrippen uit het Oude en Nieuwe Testament, die Gods handelen beschrijven als verlossen, bijstaan, bevrijden, vrijkopen of verzoenen.
Het nieuwtestamentische woord sótèr (Latijn: salvator), werd door Luther vertaald als heiland. Het woord heiland kan afhankelijk van de context gebruikt worden als synoniem voor verlosser, messias, heilbrenger en verzoener.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]