Religieus gegeven, dat vele vormen kan aannemen (onsterfelijkheid). Het Oude Testament legt grote nadruk op het leven op deze aarde en bezit een zeer magere opvatting over het leven na de dood (‘stof tot stof’). Het Nieuwe Testament tekent het geloof in het eeuwige leven overeenkomstig voorstellingen van de (in de latere delen van het Oude Testament al aanwezige) apocalyptiek, als opstanding uit de doden, maar maakt ook gebruik van de Griekse opvatting van de onsterfelijke ziel.
De voorstellingen van het eeuwige leven (hemel, paradijs, nieuwe aarde, nieuw Jeruzalem, enzovoorts) zijn sterk gevarieerd. De theologie laat in het algemeen een grote vrijheid zien, heeft steeds gewezen op het beeldende karakter ervan en aangedrongen op de concentratie op de vereniging met God (visio dei). Het geloof in het eeuwige leven kan niet als bijkomstig worden beschouwd, omdat centrale bijbelse gegevens als eeuwige zaligheid, laatste oordeel en rechtsverschaffing dan in de lucht zouden komen te hangen.
Auteur
H.W. de Knijff [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]