Mensvormige uitdrukking in het spreken over God.
In de bijbel, vooral in het Oude Testament, wordt over God gesproken in termen van menselijke lichaamsdelen (hart, arm, hand, neus, oog), handelingen (slaan, blazen, boetseren), emoties (liefde, verdriet, berouw) en functies (Koning, Rechter, Vader). Theologisch roept dit vragen op, vooral in de openbaringsleer en de godsleer. Welke rol heeft het antropomorfisme in Gods openbaring? Is al Gods openbaring antropomorf en metaforisch? Of is het antropomorfisme een oneigenlijke voorstellingswijze, die gecorrigeerd en geïnterpreteerd moet worden vanuit de meer eigenlijke, begripsmatige taal over God die we óók in de bijbel vinden?
Calvijn benadrukte in zijn leer van de accommodatie dat we God alleen kunnen begrijpen als Hij afdaalt tot ons niveau van spreken en denken, maar dat we zo wel échte kennis van God krijgen. In de godsleer roepen de antropomorfismen vooral vragen op in verband met Gods eigenschappen als geestelijkheid, eenvoud en onveranderlijkheid. In de vroege kerk leerden de antropomorfieten dat God echt een lichaam heeft, maar de orthodoxe christenheid ontkende dit.
Auteur
R.T. te Velde [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Kamphuis, Katholieke vastheid. Enkele opmerkingen mmet betrekking tot de leer der onveranderlijkheid
Gods (Goes 1955)
H.M. Kuitert, De mensvormigheid Gods. Een dogmatisch-hermeneutische studie over de antropomorfismen van de Heilige Schrift (Kampen 1967, 2de druk)