Filosofie van Grieken en Romeinen uit de klassieke oudheid vanaf het optreden van Thales van Milete, begin zesde eeuw voor Christus, tot aan de sluiting van de Academie van Athene door keizer Justinianus in 529.
De vroege kerkvaders, onder wie Augustinus, onderkenden net als Plato de mogelijkheden én de gevaren van muziek (zowel stichtend als zinnenprikkelend) en reageerden hierop met rigide richtlijnen. Zodra het geloof de dominante factor in de westerse samenleving werd (de vroege Middeleeuwen), bracht de kerk haar opvattingen in praktijk.
Religieuze leer uit het begin van het christendom, die stelt dat een verlossend innerlijk weten (het Griekse gnosis) inzicht geeft in het ware wezen van God, het eigen zelf, en de kosmos.