Bepaalde omgang met de bijbel, waarbij de bijbel zeer direct toepasbaar is in de huidige situatie.
Bijbel komt van het Griekse woord biblia, dat boeken betekent. Via het Latijn is het een enkelvoudig zelfstandig naamwoord geworden: de bijbel.
Katholiek geloofsgoed of geloofsschat, ook openbaring genoemd.
Onsterfelijke, door God geschapen geest, genoemd in de heilige Schrift, onder andere in de brieven van Paulus.
Zie: Bijbel; Schrift
Tucht die de identiteit van een kerkgemeenschap handhaaft tegen inbreuk op haar leer, de belijdenis.
Grootste leraar van de kerk vóór Augustinus (Egypte ca. 185 - Caesarea ca. 254)
Begrip uit de christelijke theologie en cultuurgeschiedenis.