Engels theoloog, filosoof, aartsbisschop van Canterbury en vader van de scholastiek (Aosta 1033 - Canterbury 1109).
Toestand van godsvervreemding die de mens door zijn geboorte eigen is, als gevolg van de zondeval.
Christelijke leer inzake de afhankelijkheid van de mens van de genade van God, die door de eeuwen van de kerkgeschiedenis heen verschillende vormen heeft aangenomen.
Overtreding van Gods gebod, daad waardoor de eerste mensen, Adam en Eva, uit een staat van onschuld tot schuld vervielen.