Mekkes, Johan Peter Albertus

mekkes.JPG

Reformatorisch filosoof (Harderwijk 23 april 1898 - Den Haag 26 juli 1987)

‘Christelijk-historischen en antirevolutionairen: luidt de alarmklok over christelijk-protestants Nederland!’ maande Mekkes in 1954 in een discussiebrochure over de koers van de ARP. ‘Luidt die als eens Groen van Prinsterer heeft gedaan.’ Twee jaar eerder had Mekkes zich met dezelfde onheilstijding tot het kader van de ARP gericht. Toen had hij zich krachtig gekeerd tegen de regeringssamenwerking met de PvdA, ‘de partij der revolutie’ en ‘de vijand’. De ARP was gezwicht voor de geest van de Franse Revolutie die ‘veldheer’ Groen in de negentiende eeuw te vuur en te zwaard had bestreden. De antirevolutionairen waren hun beginselen ontrouw geworden; ze hadden gecapituleerd voor een partij die de macht van de staat boven die van God stelde. De PvdA wilde volgens Mekkes ‘de tyrannie van de welvaartszorg’ in Nederland vestigen. Daarom luidde het credo voor protestants Nederland: te wapen!

Johan Mekkes, zoon van een gereformeerde Harderwijkse onderwijzer, was opgeleid als militair. In 1915, zeventien jaar oud, ging hij naar de officiersopleiding in Kampen. Vijf jaar later werd hij als officier beëdigd in het 20e regiment infanterie. Na staatsexamen te hebben afgelegd studeerde Mekkes van 1928 tot 1931 aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag. In 1933 werd hij adjudant van luitenant-generaal jhr. W. Roëll, de commandant van het Nederlandse veldleger. Inmiddels was Mekkes in Nijmegen, aan de katholieke universiteit, rechten gaan studeren. De studie bracht hem in aanraking met de filosofie van Dooyeweerd waarbij met name het vraagstuk van de staat, haar positie en bevoegdheden, hem boeiden. Dit kreeg zijn wetenschappelijke beslag in de dissertatie Proeve eener critische beschouwing van de ontwikkeling der humanistische rechtsstaattheoriën. Mekkes promoveerde bij Dooyeweerd, in 1940, drie weken voor de Duitse inval.

Na de vijfdaagse militaire strijd van de meidagen van 1940 lieten de Duitsers de Nederlandse militairen, als teken van goede wil, naar huis terugkeren. Twee jaar later werden de officieren alsnog in krijgsgevangenschap weggevoerd, Mekkes inbegrepen. Zijn weg voerde naar Langwasser, bij Neurenberg, vervolgens naar Stanislau, in het zuidoosten van Polen, om te eindigen in Neu-Brandenburg, boven Berlijn. Medeofficieren onderwees hij in de filosofie, onder wie M.R.H. Calmeyer, later kamerlid voor de CHU en staatssecretaris van defensie.

Na de bevrijding teruggekeerd in Nederland ging Mekkes voor de politieke recherche werken. In 1947 werd hij docent filosofie aan de Rotterdamse Economische Hogeschool, uit hoofde van de Stichting bijzondere leerstoelen voor calvinistische wijsbegeerte, die werd voorgezeten door Roëll. Twee jaar later, in 1949, werd Mekkes bijzonder hoogleraar calvinistische wijsbegeerte aan de Leidse rijksuniversiteit. In zijn inaugurele rede liet hij zich onomwonden als stafofficier van Gods strijdkrachten kennen, scherp stelling nemend tegen de materialistische en nihilistische krachten in de samenleving. Beginselvastheid ging voor alles. Die miste Mekkes niet alleen in de politiek maar ook in de kerk. In 1950 keerde hij de gereformeerde kerken de rug toe, maar waar vervolgens een gang naar de vrijgemaakt-gereformeerde kerken voor de hand lag, sloot Mekkes zich aan bij de Waalse gemeente in zijn woonplaats Den Haag. Daar kerkte ook Calmeyer, die later Roëll zou opvolgen als president van de Stichting bijzondere leerstoelen voor calvinistische wijsbegeerte.

Op politiek terrein zocht Mekkes wel toenadering tot de vrijgemaakten. In de jaren zestig trad hij toe tot het Nationaal Evangelisch Verband, een met het GPV verbonden steunorganisatie van niet-vrijgemaakte gereformeerden. Tegelijkertijd vonden zijn dooyeweerdiaanse opvattingen ingang in de ARP, in sterk geamendeerde vorm welteverstaan. Vanuit zijn staatsrechtelijke interpretatie van de soevereiniteit in eigen kring was Mekkes afkerig van een actief staatsingrijpen, maar dit betekende niet dat de overheid op haar handen moest gaan zitten. Waar het handhaving en bevordering van de publieke gerechtigheid betrof, diende de overheid wél op te treden. Deze stelling werd in de jaren zestig door Goudzwaard omgekeerd: omdát de overheid publieke gerechtigheid diende te garanderen, moest zij zich ook nadrukkelijk op sociaal-economisch terrein laten gelden. Aan dit uitgangspunt ontsprong de radicaal-evangelische stroming die de ARP in 1973 opnieuw opstuwde tot regeringssamenwerking met de door Mekkes zo verfoeide PvdA.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
21 februari 2011

Verder lezen
Jan-Jaap van den Berg, Deining. Koers en karakter van de ARP ter discussie (1956-1970) (Kampen 1999)

Informatie op internet
Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme