Mackay, Æneas

Mackay.jpg

Rechter en antirevolutionair politicus (Nijmegen 29 november 1838, Den Haag 13 november 1909)

Æneas baron Mackay was een telg uit een adellijk Gelders geslacht dat zijn wortels in Schotland had. Mackay bezocht de ‘Klokkenberg’, de eerste christelijke school in Nederland. De school was in 1848 in zijn geboorteplaats Nijmegen gesticht, mede door toedoen van zijn vader die Gelders gedeputeerde was. Na de lagere school ging Mackay naar het stedelijk gymnasium in de Karelstad, waarna hij in Utrecht rechten ging studeren. In 1862 vestigde hij zich in Nijmegen als advocaat. Drie jaar later verbond Mackay zich aan de arrondissementsrechtbank in Zutphen waar hij eerst als plaatsvervangend griffier werkte, later als plaatsvervangend officier en rechter.

In 1876 werd Mackay voor de antirevolutionaire richting in de Tweede Kamer gekozen. Hij trad, bescheiden en zachtmoedig van aard, niet op de voorgrond. Sprekend met kennis van zaken over justitie, onderwijs, koloniën en kiesrecht verwierf hij zich niettemin gezag, wat tot uiting kwam in zijn verkiezing tot kamervoorzitter in 1884. Vier jaar later, nadat de antirevolutionairen en rooms-katholieken bij de kamerverkiezingen de meerderheid hadden behaald, rees Mackays ster verder. Hij formeerde het eerste Coalitiekabinet dat in de drie jaar van zijn bestaan twee belangrijke wetten in het Staatsblad wist te brengen: de Arbeidswet, die onder meer de Arbeidsinspectie instelde, en de – door Mackay zelf tot stand gebrachte – lager-onderwijswet die de bijzondere scholen voor wat huisvesting betrof financieel gelijkstelde met de openbare scholen. Het wetsontwerp op de persoonlijke dienstplicht, dat voorzag in de afschaffing van het remplaçantenstelsel, strandde op verzet van de katholieken.

In februari 1890 raakte het kabinet in zwaar weer toen de begroting van minister Keuchenius van koloniën door de Eerste Kamer werd verworpen. Bevreesd dat aftreden de weg zou banen voor een liberale ministersploeg die vervolgens de uitvoering van de lager-onderwijswet zou frustreren, besloot het kabinet aan te blijven. Keuchenius vertrok, Mackay nam koloniën over en De Savornin Lohman werd de nieuwe minister van binnenlandse zaken.

Tact en wijsheid toonde Mackay ten aanzien van het koningshuis. Tot tweemaal toe raakte de zieke koning Willem III buiten staat om te regeren en moest de Raad van State het koninklijk gezag waarnemen. In november 1890 overleed Willem III. Omdat dochter Wilhelmina nog maar tien jaar oud was, werd zijn weduwe, koningin Emma, regentes.

Bij de verkiezingen van juni 1891 verloor de Coalitie haar meerderheid. Mackay werd tot minister van staat benoemd. Een jaar later werd hij weer kamerlid. Toen een voorstel tot uitbreiding van het kiezerskorps de antirevolutionaire fractie in 1894 splitste en Kuyper tegenover De Savornin Lohman kwam te staan, koos Mackay de zijde van laatstgenoemde. Hij volgde Lohman echter niet naar diens vrij-antirevolutionaire fractie en bleef de ARP trouw. Tijdens de zittingsperiode van het kabinet-Kuyper (1901-1905) was Mackay opnieuw kamervoorzitter. In 1905 stelde hij zich niet meer herkiesbaar. Twee jaar later trad hij tot de Raad van State toe. Mackay stierf op 13 november 1909.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
19 januari 2009

Verder lezen
Th.B.F.M. Brinkel, J. de Bruijn en A. Postma (red.), Het kabinet-Mackay. Opstellen over de eerste christelijke coalitie (1888-1891) (Baarn 1990)
R. Janssens, De opbouw van de Antirevolutionaire Partij 1850-1888 (Hilversum 2001)

Informatie op internet
Parlement & Politiek