Theoloog (Amsterdam 15 augustus 1803 - Elberfeld 5 maart 1875)
‘Ik weet niet,’ schreef Kohlbrugge in november 1833 aan zijn latere, tweede vrouw, ‘dat mij in mijn leven iets meer heeft aangegrepen dan die komma te zien.’ De komma stond in de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen, hoofdstuk 7, vers 14: ‘Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.’ Vier maanden eerder, eind juli 1833, toen Kohlbrugge een preek over dit tekstgedeelte voorbereidde, doorgrondde hij opeens de werkelijke strekking van de woorden. Ze betekenden niet: voor zover ik vleselijk ben, ben ik zondig. Nee, er stond: ik ben vleselijk, dus ik ben zondig. Paulus was zich dus ook na zijn bekering als zondaar blijven bezien. Het geloof in God de Vader en zijn eniggeboren Zoon maakte je niet automatisch tot een beter, vromer mens. Het geestelijke en het vleselijke bleven, zo drong die julidag in 1833 tot Kohlbrugge door, een voortdurende tegenstelling vormen. Die kon alleen worden opgeheven door Christus’ genade.
Dertig jaar eerder was Hermann Friedrich (‘Frits’) Kohlbrugge in Amsterdam ter wereld gekomen, als zoon van een uit de streek rond Hannover afkomstige zeepfabrikant. Hoewel het gezin, waarin maar liefst twaalf kinderen werden geboren, tot de hersteld-evangelisch lutherse gemeente behoorde, werd Frits gedoopt in het geloof van zijn moeder die hervormd was. Hij wilde predikant worden, maar moest meewerken in zijn vaders zeepziederij die geen vetpot was. Pas op zestienjarige leeftijd kon Frits naar de latijnse school. Twee jaar later ging hij naar het Athenaeum Illustre en wijdde zich aan de klassieke taal- en letterkunde en de theologie. Van het ware geloof dwaalde Kohlbrugge af; aan het Atheneum werd hij een, in zijn eigen woorden, ‘geestdriftig humanist’.
De dood van zijn vader, in 1825, deed Kohlbrugge terugkeren tot het ware geloof. In hetzelfde jaar sloot hij zijn studie af en werd proponent en hulpprediker in de hersteld-evangelisch lutherse gemeente. Zijn preken, die bol stonden van zondebesef, boetedoening en bekering, waren het gewone volk uit het hart gegrepen, maar stuitten de notabelen tegen de borst. Een conflict was het gevolg en leidde in 1827 tot Kohlbrugges afzetting. Hij verhuisde naar Utrecht waar hij zich stortte op een dissertatie over psalm 45. De promotie vond in 1829 plaats, ‘in weerwil van heel de universiteit,’ schreef Kolhbrugge later. De hoogleraren, onder wie modernisme en rationalisme hoogtij vierden, wezen zijn visie als achterhaald van de hand, maar konden niet aan de wetenschappelijke kwaliteit voorbij. Kolhbrugge promoveerde zelfs met lof.
De doctorstitel bracht hem niet op de kansel. Kohlbrugge wilde als predikant werkzaam worden in de hervormde kerk, maar hij had inmiddels de reputatie een scherpslijper en onruststoker te zijn en werd in Amsterdam noch in Utrecht als lidmaat toegelaten. Zijn persoonlijk leven ging evenmin voor de wind: zijn vrouw overleed in 1833 aan tbc. Tijdens haar verpleging was Kolhbrugge ook besmet geraakt. Voor zijn herstel ondernam hij een Rijnreis die hem in Elberfeld bracht waar hij een bloeiende kerkelijke gemeenschap trof. Kolhbrugge besteeg er de kansel en hield er in juli 1833 zijn vermaard geworden preek over Romeinen 7: 14. De preek drong ook in Nederland door en riep, vanwege zijn radicale zondebesef, kritiek op, ook uit de rechtzinnige Reveilkring waartoe Kohlbrugge zich juist aangetrokken voelde.
In 1834 hertrouwde Kohlbrugge en vestigde zich in Utrecht, nog steeds als ambteloos burger. Op zondagen hield hij thuis bijeenkomsten met gelijkgezinden, maar de in hun midden levende gedachte een eigen kerkgenootschap op te richten verwierp Kohlbrugge. Hij zei pal te staan voor ‘Kerk, Nederland en Oranje’, wat hem ook de Afscheiding deed afwijzen. Teleurgesteld en worstelend met zijn gezondheid keerde Kohlbrugge – via Godesberg – terug naar Elberfeld. Hij werd er de leidsman van een groep die zich had onttrokken aan een van overheidswege opgelegde Union van gereformeerde en lutherse gemeenten. De groep vormde in 1848 de Niederländisch-Reformierte Gemeine waaraan Kohlbrugge zijn verdere leven als predikant verbonden bleef.
In 1871, vier jaar voor zijn dood, smaakte Kohlbrugge alsnog het genoegen in een hervormde dienst te mogen voorgaan. Abraham Kuyper stond een preekbeurt af in zijn Amsterdamse Zuiderkerk, op een steenworp afstand van het gebouw van de hersteld-evangelische gemeente die Kohlbrugge 44 jaar eerder had weggestuurd. Ook internationaal kreeg hij erkenning, later ook van Karl Barth die hem zelfs in de lijn van Luther en Calvijn plaatste. Een achterkleinkind van Kohlbrugge, Hebe Charlotte, zou ruim een halve eeuw later bij de Zwitserse theoloog collegelopen.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
7 juni 2010
Verder lezen
Hermann Friedrich Kohlbrugge. Zijn leven, zijn prediking, zijn geschriften (Den Haag 1976)
W. Otten, Uit het levensboek van dr. H.F. Kohlbrugge (Houten 1992)
Archieven
Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) van de Vrije Universiteit