Knap, Jan Jacob Czn.

knap.JPG

Hervormd predikant (Oldebroek 4 februari 1867 - Groningen 20 juni 1945)

Jan Jacob Knap droeg de voornamen van zijn grootvader, en meer dan dat. Beiden hingen het gereformeerde geloof aan, maar verlieten de hervormde kerk niet. Grootvader had grote sympathie voor de afgescheidenen, kleinzoon voor de dolerenden, maar ze bleven de volkskerk trouw. Ook waren beiden voorvechters van geheelonthouding. Kleinzoon Jan Jacob, ter onderscheiding van zijn grootvader wel aangeduid als Knap Czn, was redacteur van het Christelijk maandschrift voor geheelonthouding. Beide Knappen hebben elkaar niet gekend. Grootvader stierf in 1865; kleinzoon Jan Jacob werd twee jaar later geboren, als zoon van Christoffel Knap, die ook predikant was.

Na de lagere school te hebben doorlopen ging Christoffelzoon naar het gymnasium in Kampen. ’s Zondags was hij vaak in Zwolle te vinden. Hij bezocht er de Waalse kerkdiensten van ds. F.E. Daubanton, bij wie hij ook thuis over de vloer kwam. Daar ontmoette hij diens vader, F. Daubanton, Waals predikant in Groningen die Knaps lichtend voorbeeld werd.

In 1886, het jaar van de Doleantie, toog Knap naar Amsterdam waar hij aan de gemeentelijke universiteit theologie ging studeren. Drie jaar later zette hij zijn studie voort aan de Faculté Libre in het Zwitserse Neuchâtel. Een ernstige oorontsteking, die hij weet aan het ruige Juraklimaat, bracht hem ertoe zijn heil te zoeken aan de theologische faculteit van Lausanne. Eind 1890 keerde Knap terug in Nederland. Hij werd door de Waalse kerk als kandidaat toegelaten en ging regelmatig in diensten voor. In oktober 1891 vertrok Knap opnieuw naar het buitenland. Hij reisde naar Parijs waar hij adjunct-secretaris werd van de Société Centrale Protestante d’Evangelisation, een kerkopbouwende en evangeliserende organisatie.

Knap repatrieerde in de zomer van 1892 en stelde zich beroepbaar. In april 1893 deed hij zijn intrede in de Waalse gemeente van Maastricht waar het nodige opbouwwerk was te verrichten. De kerkenraad kende nog maar één ouderling en één diaken. Gesterkt door zijn Parijse ervaringen ging Knap aan het werk, maar toen vijf maanden later, in september 1893, Daubanton sr overleed en de Waalse gemeente in Groningen vacant kwam, besloot Knap zijn blik noordwaarts te richten. Niets was hem liever dan in de voetsporen te treden van zijn grote voorbeeld, die een bloeiende gemeente had nagelaten en in Groningen wijd en zijd was gewaardeerd.

Op 19 augustus 1894 nam Knap afscheid van Maastricht en werd een week later in Groningen bevestigd, niet zonder wroeging. Toen bleek dat zijn opvolger in Maastricht, een predikant op leeftijd met een broze gezondheid, niet voor zijn taak was berekend, stelde Knap zich als consulent beschikbaar. Twee dagen per maand reisde hij naar Maastricht waar de twee laatste kerkenraadsleden er inmiddels ook de brui aan hadden gegeven. Knap blies de gemeente weer nieuw elan in en kon haar in 1896 met een voltallige kerkenraad aan een nieuwe predikant overdragen.

Ondertussen was Knaps predikantschap in Groningen op een teleurstelling uitgedraaid. Mogelijk hebben zijn Maastrichtse besognes hem teveel afgeleid, maar waarschijnlijker lijkt dat het kleine arbeidsveld van de Waalse kerk hem is gaan frustreren. Knap zocht naar groter horizon en besloot, in navolging van Daubanton jr, een beroep uit de hervormde kerk te aanvaarden. Ver van huis bracht hem dit niet want Knap werd in 1897 hervormd predikant in Groningen, waar hij bijna veertig jaar zou staan, tot zijn emeritaat in 1936. Kuyper en zijn Doleantiebeweging hadden, zoals gezegd, zijn grote waardering en hij trad als spreker op voor de VU en de ARP. Toch bleef Knap in de hervormde kerk, ‘omdat Christus haar nog niet verlaten had.’ Hij profileerde zich nadrukkelijk als confessioneel predikant, ook door middel van het tijdschrift Oude paden waarin hij preken, meditaties en artikelen over dogmatische onderwerpen publiceerde. Leerstellige kwesties meed hij, polemiek zocht hij evenmin – de hervormde kerk was al verdeeld genoeg. In de jaren dertig nam Knap in Oude paden wel stelling tegen het nationaal-socialisme en het antisemitisme.

De chronische oorontsteking, die Knap in zijn studentjaren al kwelde, had uiteindelijk doofheid tot gevolg. ‘Ik woon in de stilte,’ zei hij. Het belette Knap niet blijmoedig door het leven te gaan en de preekstoel te blijven bestijgen, zijn atonale woord compenserend met machtige armgebaren. Ook volhardde Knap in zijn pastoraal werk, waarbij gesprekken met behulp van een notitieblokje verliepen.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
10 mei 2010

Verder lezen
J. Haitsma, ‘Knap, Jan Jacob’, in: D. Nauta e.a. (red.), Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme III (Kampen 1988) 209-210
A.J. van den Herik, Gereformeerd en toch hervormd; een theologische en kerkelijke plaatsbepaling van ds. J.J. Knap Czn. (Bleskensgraaf 1999)