Politicus, predikant van de Gereformeerde Gemeenten (Deventer 6 augustus 1882 - Waarde 6 september 1948)
De Nederlandse parlementaire geschiedenis kent twee beruchte ‘nachten’. De ene draagt de naam van de katholieke voorman Norbert Schmelzer die in 1966 het ambitieuze rooms-rode kabinet Cals/Vondeling op de knieën bracht. De andere nacht dateert van 1925 toen het nog maar enkele maanden oude kabinet van ‘sterke man’ Colijn sneuvelde. Het werd onderuitgehaald door een geharnaste godgeleerde die de eerste april van het jaar 1572 in gulden kapitalen schreef. Brielle was zijn eeuwig geldend referentiepunt, ‘paaps of geus’ zijn lijfspreuk, zijn naam Kersten. In een amendement vroeg hij de gelden voor de diplomatieke post bij het vermaledijde Vaticaan te schrappen. Op de dankdag van Sint Maarten, 11 november, in de vroege ochtend, kreeg Kerstens amendement een meerderheid, dankzij steun van christelijk-historischen. Rekkelijken en zeer-preciezen rukten in de strijd tegen Rome samen op. Colijn buitelde van zijn troon en verdween voor jaren in de politieke woestenij.
Gerrit Hendrik (‘Henri’) Kersten was Deventenaar van geboorte. In de IJsselstad verdiende zijn vader, die afkomstig was uit afgescheiden kring maar was teruggekeerd tot de hervormde kerk, de kost als opperwachtmeester bij de cavalerie. Tijdens Henri’s kinderjaren verhuisde het gezin naar Den Haag waar zijn vader een betrekking als boekhouder had gevonden. In de residentie sloten de Kerstens zich aan bij de Gereformeerde Gemeente onder het Kruis die werd geleid door ds. G. Maliepaard. Tijdens diens prediking ontving Henri, tien jaar oud, ‘zaligmakende overtuigingen’ die hem de weg naar het predikambt wezen. Deze keuze was ook ingegeven door zijn zeer godvruchtige moeder en een wonderbaarlijke genezing na een ernstige ziekte.
Na de lagere school te hebben doorlopen ging Henri naar de Haagse christelijke kweekschool. In 1899, zeventien jaar oud, werd hij onderwijzer aan de gereformeerde Keucheniusschool in Den Haag, een voorlopige aanstelling waar voortijdig een einde aan kwam. Kerstens kritiek op Abraham Kuypers leer over de veronderstelde wedergeboorte leidde tot ontslag waarna hij zich, gezegend met een groot redenaarstalent, voltijds als ‘oefenaar’ ging wijden aan de kruisgemeente. In 1905 werd Kersten predikant in het Zeeuwse Meliskerke, maar hij vertrok al na een jaar naar de gemeente in Rotterdam. In 1912 keerde Kersten terug naar Zeeland. Veertien jaar stond hij in Yerseke, om vervolgens weer naar Rotterdam te trekken waar hij tot zijn dood predikant zou blijven.
Kersten onderscheidde zich niet alleen als man van het woord. Hij was ook een begenadigd organisator, wat vooral bleek in het fusieproces tussen de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis en de Ledeboeriaanse gemeenten dat in 1907 zijn beslag kreeg. Beide kerkgenootschappen gingen verder als Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika waarvan Kersten het gezicht werd. Hij nam ook het voortouw tot een politieke partij die in 1918 als Staatkundig-Gereformeerde Partij het toneel betrad en in 1922 een kamerzetel bemachtigde, bemand door Kersten. Drie jaar later beleefde hij als parlementariër zijn finest hour toen zijn amendement om het gezantschap bij het Vaticaan op te heffen werd aangenomen. Behalve als ‘papenvreter’ onderscheidde Kerstens zich in de politieke arena ook als principieel tegenstander van het socialisme en als een even vasthoudende bestrijder van de plicht tot verzekering en vaccinatie die tegen de goddelijke voorzienigheid indruiste.
In het nationaal-socialisme stond Kersten het heidense karakter tegen, maar hij had waardering voor de nadruk op het staatsgezag en de bestrijding van het communisme. Dat het Duitse volk, onder Hitlers leiding, uit de as van Versailles en de rampzalige jaren van de Weimarrepubliek herrees had Kerstens sympathie. De Duitse inval, mei 1940, interpreteerde hij als ’s Heeren gesel voor begane zonden. ‘Ziet toch niet op dien Duitscher,’ richtte Kersten, die als inwoner van Rotterdam het Luftwaffebombardement van 14 mei meemaakte, zich tot wraakzuchtigen. ‘Hij is slechts een roede in Gods hand.’ In deze geest keerde Kersten zich tegen elke vorm van verzet, onder meer in het SGP-orgaan De Banier. In september 1941 adviseerde hij de scholen van de gereformeerde gemeenten gevolg te geven aan het departementale verzoek joodse kinderen aan te melden.
Later leken Kersten de ogen open te gaan voor het duivelse karakter van het bezettingsregime. Hij steunde de eens zo verfoeide illegaliteit financieel, nam onderduikers in huis en behoedde joden voor deportatie. Het voorkwam niet dat Kersten na de bevrijding werd weggezuiverd uit het parlement en in 1946 een schrijfverbod van tien jaar kreeg opgelegd. Twee jaar later stierf hij aan een hartaanval.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
24 maart 2010
Verder lezen
M. Golverdingen, Ds. G.H. Kersten, Facetten van zijn leven en werk (Houten 1993)
Informatie op internet
Biografisch Woordenboek van Nederland
Parlement & Politiek
Trouw