Hoekendijk, Johannes Christiaan

Hoekendijk JC.jpg

Theoloog (Garut [Java] 3 mei 1912 - New York 25 juni 1975)

Niets liever had Hoekendijk gewild dan in de voetsporen van zijn vader treden en zendeling worden in Nederlands-Indië: Gods Koninkrijk verkondigen onder de tropenzon, niet gehinderd door kerkelijke tradities en structuren. De eerste keer dat Hoekendijk om uitzending naar Indië vroeg, in 1936, na zijn opleiding aan de Nederlandse Zendingsschool, was er geen geld. In 1940 stond de oorlog uitzending in de weg. Na de bevrijding kon Hoekendijk dan eindelijk als zendeling voet op Indische bodem zetten, zijn geboortegrond, maar de gezondheid van zijn vrouw dwong al een jaar later tot terugkeer naar Nederland. De deceptie bij Hoekendijk was groot en zou hem zijn verdere leven vergezellen.

Hans Hoekendijks wieg stond op West-Java, in een gebied waar de islam sterk was verankerd. Garoet, Hoekendijks geboorteplaats, had een van de grootste moskeeën van Java. In 1925, toen Hans dertien jaar oud was, keerde het gezin terug naar Nederland. Hans bezocht de christelijke hbs in Rotterdam, deed in 1930 eindexamen en koos vervolgens met hart en ziel voor de Nederlandse Zendingsschool in Oegstgeest.

Nadat zijn eerste poging om naar Indië te worden uitgezonden was mislukt besloot Hoekendijk theologie te gaan studeren aan de Utrechtse rijksuniversiteit. Na in 1941 zijn doctoraalexamen te hebben behaald werd hij secretaris van de NCSV en werkte hij enige tijd als studentenpastor. Vanwege zijn betrokkenheid bij het verzet tegen de Duitse bezetter moest Hoekendijk onderduiken. Hij ontvluchtte Nederland en probeerde naar Engeland over te steken, maar belandde uiteindelijk in het neutrale Zwitserland waar hij predikant voor vluchtelingen en krijgsgevangenen werd.

Na de bevrijding kon Hoekendijk dan eindelijk als zendeling naar zijn geboorteland vertrekken, maar hij moest in 1946 al repatriëren. Hij werd secretaris van de Nederlandse Zendingsraad en trad in 1949 in dienst van de Wereldraad van Kerken, als secretaris van de afdeling evangelisatie. Een jaar eerder had hij – bij Van Ruler – de doctorstitel verworven, op het proefschrift Kerk en volk in de Duitse zendingswetenschap. Aan het begin van de oorlog was het al in vergevorderde staat van voltooiing geweest, maar in de jaren van onderduik en omzwervingen die volgden was Hoekendijk het manuscript kwijtgeraakt.

Zijn proefschrift markeert het begin van een kruistocht tegen een ‘verkerkelijkt’ apostolaat. Zending moest zich volgens Hoekendijk in essentie afspelen tussen het koninkrijk Gods en de wereld, zonder de verstorende tussenkomst van het verstarde instituut dat kerk heette. Het apostolaat was niet een functie van de kerk, maar de kerk een functie van het apostolaat – een opvatting die haaks stond op de theocratische visie van promotor Van Ruler. Kerstening van de cultuur wees Hoekendijk van de hand, secularisatie noemde hij een vrucht van het evangelie.

Het bezorgde Hoekendijk een aparte positie binnen de Utrechtse theologische faculteit. Daarin was hij in 1952 als kerkelijk hoogleraar benoemd, voor de vakken bijbelse theologie, praktische theologie en apostolaat. Zes jaar later werd hij gewoon hoogleraar in de kerkgeschiedenis van de twintigste eeuw. Hoekendijk inspireerde velen. Hij was een groot voortrekker in de oecumene en oprichter van het Interuniversitair Instituut voor Missiologie en Oecumenica. Hij ergerde ook velen, niet alleen door zijn radicale standpunten. Hoekendijk blonk niet uit in contactuele eigenschappen, en het incasseren van kritiek was evenmin zijn sterkste kant. Dit nam niet weg dat hij een theoloog van naam en faam was, ook internationaal, als gevolg van zijn werk voor de Wereldraad van Kerken. Met name in het studieproject ‘Missionaire structuren van de gemeente’, dat de Wereldraad in 1962 entameerde, had Hoekendijk een belangrijke stem.

In 1966 nam hij afscheid van de Utrechtse universiteit en werd hij hoogleraar aan het Union Theological Seminary in New York. Ook hier raakte Hoekendijk in een isolement. Van de studentenopstanden moest hij niets hebben, omdat ze naar zijn oordeel de maatschappelijke structuren ongemoeid lieten. Rebellen waren parasieten; ze hadden de gevestigde orde nodig om een tegencultuur te kunnen vormen. De opkomende zwarte theologie en bevrijdingstheologie wees Hoekendijks als egocentrische ‘me-ologie’ van de hand. Studenten gingen zijn colleges mijden. Echtscheiding en gezondheidsproblemen wierpen een schaduw over zijn persoonlijk leven. In 1970 hertrouwde Hoekendijk met een voormalige studente. Vijf jaar later, tijdens een vakantie op Long Island, kreeg hij zwemmend in zee een hartaanval en verdronk.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
20 november 2009

Verder lezen
Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, 5 (Kampen 2001), 240-242
P. van Gurp, Kerk en zending in de theologie van Johannes Christiaan Hoekendijk (Haarlem 1989)