Heeroma, Klaas Hanzen

heeroma.JPG

Taalkundige en dichter (Hoorn 13 september 1909 - Groningen 21 november 1972)

Hij leefde van inval tot inval, zei hij, met ertussen wat methodische controle, maar niet te veel. Mensen van invallen zijn niet zelden emotioneel en vurig – kwalificaties die voor Klaas Heeroma zeker opgaan. Gevoelig was hij ook, en bevlogen. Hij had een geweldige drang om gehoord te worden en leiding te geven. Maar de volgzame schare waar hij zijn hele werkzame leven naar op zoek is geweest heeft hij nooit gevonden. Want bevlogen en emotionele mensen roepen nogal eens conflicten op. Die lopen als een rode draad door Heeroma’s bestaan dat daardoor vaak eenzaam was.

Het begon op 13 september 1909 op Terschelling waar Klaas’ vader hoofd van de christelijke school was. Een jaar later werd hij leraar aan de christelijke kweekschool in Zwolle, waar Klaas de lagere school en het gymnasium bezocht. In 1928 ging hij Nederlandse taal- en letterkunde studeren, in Leiden waar zijn grote voorbeeld, literator Albert Verwey, hoogleraar was. Als dichter debuteerde Heeroma in hetzelfde jaar in Stemmen des Tijds, onder het pseudoniem Muus Jacobse, de naam van een doopsgezinde Markense visser, een voorvader van zijn moeder.

Heeroma wilde bij Verwey promoveren op Bilderdijk, maar het onderwerp bleek te omvangrijk. De doctorshoed verwierf hij zich in 1935 met een dissertatie over Hollandse dialectstudies; G.G. Kloeke was zijn promotor, maar hij beschouwde Verwey als zijn leermeester. Met zijn proefschrift was Heeroma’s naam als dialectoloog in één klap gevestigd. Een studiebeurs stelde hem in staat een jaar lang onderzoek te verrichten in Marburg, Gent en Leuven. Na zijn terugkomst stond hij een paar maanden voor de klas, om in november 1936 medewerker te worden van het Woordenboek der Nederlandsche taal. Voor een gedreven visionair als Heeroma was deze werkkring echter te klein; hij miste er een wetenschappelijk podium.

Ook als dichter was Heeroma rusteloos op zoek naar een publiek. In 1932 verscheen zijn eerste bundel, Programma, die echter weinig opzienbarend was. ‘Lege luciferdoosjes,’ oordeelde Jan Gresshof over Heeroma’s gedichten. ‘Buitenop het conventionele merk en binnenin lucht.’ In 1932 maakte Heeroma, op voorspraak van Jo van Ham, ook zijn entree in de redactie van Opwaartsche Wegen. Meteen probeerde hij het blad naar zijn hand te zetten: het dichterschap was een openbaring van Godswege, ten dienste van de christelijke gemeente. De dichter als dominee, Opwaartsche Wegen als kansel.

Dit ideaal gaf Heeroma in 1934 gestalte in Het derde Réveil, een zonder overleg met zijn mederedacteuren samengestelde bloemlezing uit de poëzie die in Opwaartsche Wegen was verschenen. Zowel zijn keuze (Achterberg liet hij onder meer weg) als zijn hoogdravende inleiding zette kwaad bloed en leidde tot een breuk in de redactie van het blad. Samen met onder meer Van Ham richtte Heeroma De Werkplaats op dat in 1937, na twee jaar, ter ziele ging. In 1940 keerde hij terug bij Opwaartsche Wegen, maar niet veel later maakte de oorlog een einde aan het blad.

Tijdens de Duitse bezetting schreef Heeroma verzetsgedichten die na de bevrijding werden gebundeld in het bekroonde Vuur en wind. In 1946 verschenen nog enkele bundeltjes, maar zijn benoeming tot hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde in Djakarta, twee jaar later, markeerde de overgang van poëzie naar taalfilosofie. Heeroma’s gedwongen terugkeer naar Nederland, in 1952, als gevolg van de spanningen met Soekarno’s Republiek Indonesië, leek zijn wetenschappelijke loopbaan te knakken. Een jaar later werd Heeroma echter hoogleraar in de Nedersaksische taal- en letterkunde in Groningen. Een succes werd zijn professoraat niet. Conflicten isoleerden hem, colleges werden stopgezet.

Heeroma stortte zich op zijn andere Groningse functie: het directeurschap van het Nedersaksisch instituut. Een stroom van publicaties zag het licht, met de driedelige Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden als hoogtepunt. Zijn romantische pioniersgeest trok Heeroma naar terreinen waarop feitenmateriaal schaars was, en speculatie verleidelijk. Het resulteerde in Liederen en gedichten uit het Gruuthuse-handschrift dat in 1966, ter gelegenheid van het tweehonderdjarig bestaan van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, verscheen. Heeroma schreef het Gruuthuse-handschrift toe aan een Brugse regent, Jan Moritoen, op grond van ‘evocatie der verbeelding’. Het boek werd neergesabeld, wat Heeroma er niet van weerhield ook de wordingsgeschiedenis van het middeleeuwse epos Vanden Vos Reynaerde aan een speculatieve studie te onderwerpen.

Uiteindelijk vond Heeroma zijn langverbeide gehoor met het Liedboek voor de Kerken waaraan hij – als Muus Jacobse – maar liefst 36 gezangen en 31 psalmen bijdroeg. De samenwerking met de andere dichters, onder wie Barnard, Den Besten en Schulte Nordholt, koesterde hij, ook al maakte Heeroma’s conflictueuze inborst het noodzakelijk dat hij tijdens het definitieve selectieproces naar de achtergrond verdween. Het eindresultaat kreeg Heeroma niet meer in handen. Hij stierf in november 1972, luttele maanden voor de verschijning van het Liedboek.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
4 november 2009

Verder lezen
Dirk Zwart (red.), ‘Ik heb mijzelf in woorden weggegeven’ (Rotterdam 1996)

Informatie op internet
Biografisch Woordenboek van Nederland
Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren