Hartog, Jan de

Jan de Hartog.JPG

Schrijver (Haarlem 22 april 1914 - Houston [Texas] 22 september 2002)

‘Ik kan lezen! Ik kan lezen!’ kwam kleine Jan gillend na zijn eerste schooldag thuis. Zijn vader, predikant en hoogleraar A.H. de Hartog, pakte de bijbel, sloeg die open en vroeg: ‘Wat staat hier dan?’ Jan zei: ‘Aap, Noot, Mies.’ Zijn vader: ‘Nou, ja, daar komt het wel zo ongeveer op neer.’ Al te lang enthousiast over de schoolgang bleef Jan niet. Vier jaar later, toen hij tien was, liep hij weg en werd ketelbink op een vissersboot die de Zuiderzee bevoer. Jan woonde toen bij een weduwe in Huizen, omdat zijn moeder ernstig ziek was en zijn vader niet voor hem kon zorgen. In het Zuiderzeedorp werd hij gegrepen door fantastische vissersverhalen die niet alleen zijn verbeelding maar ook zijn zucht naar avontuur voedden. Op twaalfjarige leeftijd verstopte Jan zich op een vrachtschip en maakte een reis van drie maanden naar Finland mee.

Toch had wegloperige Jan geen afkeer van zijn ouders. ‘Mijn moeder was een lieve, stralende, stille vrouw; mijn vader een kolossale, uitbundige schat van een man. Ze waren beiden oprecht gelovig.’ Overigens behoorde zijn moeder, Lucretia Meyjes, lector middeleeuwse mystiek aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam en auteur van religieus-geïnspireerde boeken, niet tot een kerkgenootschap. Ze had zich bij de quakers aangesloten.

Terug van zijn illegale reis naar Finland ging Jan naar de mulo. Hij behaalde zowaar zijn diploma en ging naar de kweekschool voor de zeevaart waar hij na drie maanden werd weggestuurd. Ook een verblijf aan de hbs, met Menno ter Braak als leraar, duurde niet lang. De Hartog werd vervolgens stoker bij de Amsterdamse havenpolitie en volgde ’s avonds het gymnasium. Hij woonde in het Amsterdamse Tehuis voor Arbeiders waar hij – begin jaren dertig – zijn eerste verhalen schreef. Ze verschenen onder het pseudoniem F.R. Eckmar in het Algemeen Handelsblad. Onder deze schuilnaam verschenen ook de vijf detectives die De Hartog later zou schrijven. Zijn eerste roman, Het huis met de handen, die in 1934 verscheen, publiceerde De Hartog onder eigen naam.

Inmiddels had hij de havenpolitie vaarwel gezegd en was – als vrijwilliger – actief geworden voor de Amsterdamse Toneelvereniging, als regisseur, dramaturg en ook als acteur. In 1939 verscheen De Hartogs eerste toneelstuk, De ondergang van de “Vrijheid”, dat de zeesleepvaart tot onderwerp had. Dit gold ook voor Hollands Glorie, de roman die een jaar later, een paar maanden nadat Nederland was bezet, uitkwam en De Hartogs doorbraak betekende. Het realistische verhaal van een zeesleper en zijn opvarenden die de elementen trotseerden en een nautische glorietijd uit het jongste verleden beschreef, werkte als balsem op de wonden die de meidagen van 1940 hadden geslagen. Meer dan honderdduizend exemplaren werden verkocht, totdat De Hartog in het voorjaar van 1942 weigerde zich bij de Kultuurkamer aan te sluiten en niet meer mocht publiceren.

Een jaar later vluchtte De Hartog naar het neutrale Zwitserland. Een avonturentocht van een halfjaar bracht hem in Gibraltar vanwaar hij naar Engeland voer. Hij ging er werken voor de Regeringsvoorlichtingsdienst, als oorlogscorrespondent van de koopvaardij. Zijn toneelstuk Schipper naast God werd in het najaar van 1945 als Skipper next to God in Londen opgevoerd. The fourposter (Het hemelbed) maakte De Hartog internationaal bekend. Het stuk haalde Broadway, werd tweemaal verfilmd en later omgewerkt tot de musical I do! I do! Privé ging het de schrijver minder voor de wind. Zijn huwelijk met de stiefdochter van de Britse schrijver J.B. Priestley liep snel op de klippen waarna de domineeszoon zich overgaf aan Wein, Weib und Gesang.

De dood van zijn moeder, in 1961, na een slopende ziekte, bracht een keer in De Hartogs leven. Hij trad in haar levensbeschouwelijke voetsporen en bekende zich tot de beweging van de quakers. Ook trad De Hartog in het huwelijk, met zijn secretaresse Marjorie Mein. Het echtpaar vestigde zich in Houston, Texas, waar het echtpaar zich ontfermde over een ziekenhuis in een zwarte sloppenbuurt. De Hartog verwerkte zijn ervaringen in de roman The hospital, die hem in opspraak bracht. Hij heette een ‘nigger-lover’ te zijn, werd bedreigd en moest Houston uiteindelijk verlaten.

Het betekende allerminst het einde van De Hartogs maatschappelijke betrokkenheid. Hij zette zich in voor weeskinderen in Korea en Vietnam, gebieden die respectievelijk in de jaren ’50 en de jaren ’60/’70 bloedige fronten in de Oost-Westconfrontatie waren. Zelf adopteerde het echtpaar De Hartog twee Koreaanse zusjes die model stonden voor de roman De kinderen uit 1968. Een jaar eerder had De Hartog zijn ervaringen als jong ketelbinkie beschreven in het boekenweekgeschenk Herinneringen van een bramzijgertje. Over de geschiedenis van de quakersbeweging verscheen in de jaren zeventig de vierdelige The peaceable kingdom.

Als geboren verhalenverteller had De Hartog een groot publiek, ook buiten Nederland. Na Anne Frank is hij waarschijnlijk de meest gelezen Nederlandse auteur. Literaire waardering bleef echter uit. Wel werd De Hartog in 1997 gelauwerd met een Gouden Kalf, als waardering voor zijn filmverdiensten. Vijf jaar later werd hij tijdens ziekenhuisopname in Houston besmet met een bacterie die een fatale hartstilstand veroorzaakte. De Hartogs weduwe onthulde in 2004 een herdenkingsplaquette in Maassluis, vlakbij de ligplaats van de ‘Furie’, de sleepboot uit de veelbekeken tv-bewerking van Hollands Glorie.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
26 oktober 2009

Verder lezen
Frans van Campenhout, Leven en werk van Jan de Hartog (Antwerpen 1987)

Informatie op internet
Digitale bibliotheek Nederlandse letteren